Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.3.

Artikel 5.3.4.

Grondsoort

Onderdeel van Nota Bodembeheer Midden-Holland en Zoetermeer 2016-2021

In het veenweidegebied, maar ook in de kleirijke zeekleipolders (zie kaartbijlage 7 van [8]), wordt het niet duurzaam geacht zand op te brengen als ophoging omdat hiermee de unieke eigenschappen van het veen en de klei teniet worden gedaan. Het waardevolle bodemecosysteem zal door het opbrengen van het veel zwaardere zand worden weggedrukt naar de ondergrond en in grote mate worden verstoord. Ook neemt de bodemvruchtbaarheid hierdoor af, terwijl dit in het landelijk gebied juist een belangrijke waarde is van de bodem. Organische stof is zeer belangrijk voor de biodiversiteit en vochtregulerend vermogen van de bodem. De beperking voor zand in het landelijk gebied geldt niet als op de locatie na toepassing een woon- of bedrijfsfunctie of infrastructuur wordt gerealiseerd. Hoewel ook klei zwaarder is dan veen worden hier geen beperkingen aan verbonden omdat klei ook dikwijls voorkomt in het landelijk gebied, met name langs de rivieren in het gebied. Wel is het raadzaam om klei in niet te grote laagdiktes in het veenweidegebied toe te passen. Dit geldt niet voor de aanleg of versteviging van dijken, waarbij een belangrijke eigenschap van de klei (ondoorlatendheid) juist wordt benut. Er kunnen vanuit het Bbk geen eisen worden gesteld aan grondsoorten dus bovenstaande kan niet worden afgedwongen bij derden, maar is wel een uitgangspunt indien gemeenten opdrachtgever zijn.

Rechtspraak bij dit artikel