In het Besluit bodemkwaliteit is beschreven dat het tijdelijk verplaatsen of uit een toepassing wegnemen van grond is toegestaan indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Formeel betekent dit dat de vrijgekomen grond in dezelfde laag moet worden teruggebracht. Het gescheiden ontgraven en houden van de boven- en ondergrond is in de praktijk echter moeilijk realiseerbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (inclusief riolering). De grond die bij dit soort werkzaamheden wordt ontgraven, wordt namelijk vaak in één depot geplaatst. Daarbij wordt over het algemeen geen onderscheid gemaakt in grond afkomstig uit de bovengrond of uit
de ondergrond, met als consequentie dat de grond geroerd in de sleuf wordt teruggebracht.
Gezien de ervaringen uit de praktijk, maar ook om de werkbaarheid te vergroten, wordt binnen de reikwijdte van deze Nota toegestaan om bij de tijdelijke uitname van grond, specifiek bij werkzaamheden aan kabels en leidingen, het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de boven- en ondergrond niet strikt te handhaven. Dit betekent dat in het traject 0,0-3,0 m –maaiveld de boven- en ondergrond geroerd mag worden teruggeplaatst. Dit geldt alleen voor grondverzet binnen “het werk”.
Bij het terugplaatsen van de grond dient wel de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming in acht te worden genomen en de bepalingen in paragraaf 5.3.2.
Consequentie van deze werkwijze is dat de bodem ter plaatse van leidingtracés geroerd raakt met als mogelijk gevolg het opmengen van verschillende kwaliteitsklassen. Uit Tabel 3.2 is af te leiden dat bij 10 van de 19 zones de kwaliteitsklasse van de boven- en ondergrond zich ten opzichte van elkaar verschillen. De vermenging wordt echter geaccepteerd omdat:
de kwaliteit van de bovengrond zal verbeteren (m.u.v. zone 14);
er geen bodemhygiënische risico’s zullen optreden;
na de werkzaamheden de bovengrond veelal weer zal worden afgedekt met bestrating;
de grond ter plaatse van leidingtracés in het verleden al vermengd is geraakt bij de aanleg van de kabels en leidingen (incl. riolering) dan wel dat de kabelgoten destijds mogelijk zijn aangevuld met schone grond.
Het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de boven- en ondergrond kan ook bij herinrichting van terreinen een onevenredig zware inspanning eisen. Gedacht moet worden aan het graven van sloten en met deze vrijkomende grond andere watergangen in de directe nabijheid weer dempen. Omdat de ondergrond veelal schoner is dan de bovengrond zal dergelijk grondverzet dikwijls leiden tot een verbetering van de kwaliteit van de contactzone (bovengrond) en hiermee gunstig zijn voor het gebruik van de bodem. Deze vorm van grondverzet kan daarom – na beoordeling van het bevoegd gezag Bbk- worden toegestaan.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.4.
Artikel 5.4.6.
Kabels en leidingen
Onderdeel van Nota Bodembeheer Midden-Holland en Zoetermeer 2016-2021