Het kan voorkomen dat er in de zone van herkomst geen ruimte is om een weilanddepot of geotube aan te leggen. Dit is dikwijls het geval in het stedelijk gebied: als geotubes binnen de zone geen reële optie zijn, is een weilanddepot in het (aangrenzende) landelijk gebied vaak een goed alternatief. Omdat in dergelijke gevallen echter niet kan worden gesproken van bagger die afkomstig is uit aangrenzende watergangen valt dit niet onder het generieke kader.
Bij hergebruik van bagger in een andere zone wordt voor woongebieden en bedrijfsterreinen aangesloten bij de LMW voor grond, respectievelijk Klasse Wonen en Klasse Industrie (tabel 5.1).
De Lokaal Maximale Waarden voor grond in het landelijk gebied zijn vastgelegd op het niveau van de Achtergrondwaarden. Uit analyse van uitgevoerd waterbodemonderzoek blijkt dat bagger uit het stedelijk gebied dikwijls niet voldoet aan deze LMW. Daarom zijn speciaal voor het hergebruik van bagger in het landelijk gebied Lokaal Maximale Waarden afgeleid. Deze LMW zijn opgenomen als bijlage 6 en houden rekening met de huidige bodemkwaliteit van de ontvangende zone, de kwaliteit van de bagger uit bebouwd gebied en de bodemfunctie van het ontvangende perceel. Bij de afleiding is er eveneens rekening mee gehouden dat er geen risico’s mogen ontstaan. Vooruitlopend op nieuwe regels voor het verspreiden van bagger (Omgevingswet), wordt een maximale afstand gesteld aan het op deze wijze toepassen, namelijk 10 kilometer.
Consequentie is dat er in het landelijk gebied voor grond en bagger andere LMW gelden. De LMW voor bagger zijn ruimer dan die voor grond. Dit wordt gerechtvaardigd vanwege de grote maatschappelijke baggeropgave: er komt veel bagger vrij bij een noodzakelijke activiteit in het stedelijk gebied waar geen of weinig plaats is voor hergebruik. Voor grond is dit van minder groot belang: er komt weinig grond vrij en de grond kan eenvoudig in het stedelijk gebied worden hergebruikt.
De LMW voor bagger geldt voor bagger uit een andere bodemkwaliteitszone èn uit watersystemen met een afwijkende dynamiek. Zo hebben boezemwateren die de zone kruisen een eigen dynamiek en de daarin aanwezige bagger is niet zone-eigen. De LMW gelden ook voor geotubes in andere zones dan de zone van herkomst.
In figuur 6.3 worden verschillende situaties geïllustreerd en in figuur 6.4 is een beslisschema opgenomen
Figuur 6.3: de verschillende situaties met toetsingen geïllustreerd.
Met de LMW wordt een verruiming in de afzetmogelijkheden van stedelijke bagger gecreëerd, zonder dat er risico’s ontstaan. De LMW gelden ook voor bagger van buiten de regio, met een maximum van 10 kilometer gerekend vanaf de toepassingslocatie.
Om de kwaliteit van de bagger te bepalen is voor verdachte watergangen een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 noodzakelijk. Hier hoort ook een vooronderzoek aan vooraf te gaan. In bepaalde gevallen mag worden afgeweken van de eis uit de NEN van bemonstering per 0,5 meter sliblaag. Bij onderhoudsbaggeren mag de sliblaag tot de onderhoudsdiepte als één laag worden bemonsterd. Zie ook bijlage 8.
Omdat tijdens het pompen en/of vervoer de bagger vermengd raakt, mogen de analyseresultaten uit het waterbodemonderzoek worden gemiddeld. Voorwaarde hiervoor is wel dat de baggerkwaliteit redelijk homogeen moet zijn. Uitschieters (hoge waarden) in de baggerkwaliteit mogen niet worden “weggemiddeld”. Dit is altijd ter beoordeling aan het bevoegd gezag Bbk.
Hoofdstuk 6 › Paragraaf 6.2.
Artikel 6.2.2.
Hergebruik van bagger tussen zones
Onderdeel van Nota Bodembeheer Midden-Holland en Zoetermeer 2016-2021