Wet milieubeheer
Als een aanvraag voor milieuvergunning of een melding in het kader van het Activiteitenbesluit binnenkomt, wordt eerste gecheckt of het type bedrijf in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan. Als dit niet het geval is wordt dit gemeld bij het Toetsoverleg Ruimte (ToR).
Om tegen te gaan dat bedrijven meer geluid produceren dan nodig is, wordt bij vergunningen niet meer geluidsruimte vergund dan nodig is. Indien relevant wordt dus een lagere norm in de vergunning vastgelegd dan de standaardnorm. Dit dient wel goed gemotiveerd te warden, bijvoorbeeld vanuit het oogpunt van bescherming van het milieu. Bijkomend voordeel is dat hierdoor een bedrijf niet onnodig beperkend werkt voor ontwikkelingen in de omgeving.
Bij het verlenen van de vergunning hanteert de gemeente Soest daar waar dit op grond van de omgeving relevant is (bv winkelcentra, winkels aan de voorkant, rustige achterzijde) een verschil tussen de toegestane belasting (grenswaarde) van de voor- en achtergevel van (minimaal) 5 dB. Voor de waarden aan de achterkant betekent dit een norm (toetsingswaarde) die 5 dB lager ligt dan de richtwaarden uit de handreiking.
De grenswaarden voor geluid in de vergunning worden gerelateerd aan de aard van de woonomgeving op basis van de indeling in de Handreiking Industrielawaai. Voor niet gezoneerde industrieterreinen worden de grenswaarden 55-50-45 op de gevel van gevoelige gebouwen gehanteerd.
Voor inrichtingen die vallen onder het Activiteitenbesluit geldt een richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde; voor bedrijventerreinen is deze richtwaarde 55 dB(A). Bij een melding in het kader van het Activiteitenbesluit wordt bekeken of maatwerkvoorschriften moeten worden opgelegd vanwege de aard van de woonomgeving.
Indien geen gevoelige gebouwen binnen 50 m van het bedrijf aanwezig zijn, wordt standaard een referentiepunt op 50 m opgenomen waarvoor op basis van de Best Beschikbare Technieken (BBT) of op grand van bijvoorbeeld bescherming van de gebiedskwaliteit, het toegestane geluidsniveau (grenswaarde) wordt bepaald.
Soest neemt als grenswaarde in de vergunning de geluidsruimte op die het bedrijf nodig heeft indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat dit lager ligt dan de richtwaarde. Hierbij wordt uitgegaan van het gebruik van de Best Beschikbare Technieken (BBT). De grenswaarde kan hierdoor dus een aantal dB(A) lager liggen dan de richtwaarden.
Het maximum niveau voor pieklawaai bedraagt 70/65/60 dB(A) (LAmax) voor de dag/avond/nacht op de gevel van gevoelige gebouwen. Het maximum wordt alleen verleend als met onderzoek is aangetoond dat deze ruimte nodig is. Indien minder geluidsruimte nodig is, wordt minder vergund.
Als aanvullend beleid hanteert de gemeente dat bij nieuwe supermarkten, waarbij het laden en lossen kan leiden tot overlast in de avond- en nachtperiode, het laden en lossen inpandig moet plaatsvinden. Hier moet bij de bouw van het pand rekening mee worden gehouden.
Defensieterreinen worden in het kader van de Wet milieubeheer als bedrijventerreinen beschouwd.
Op bedrijventerreinen kan, indien de noodzaak blijkt uit akoestisch onderzoek, een 5 dB hogere
norm warden opgenomen in de geluidvoorschriften van de milieuvergunning.
Op de gevels van (voormalige) dienstwoningen wordt in vergunningsvoorschriften en maatwerkvoorschriften een hogere geluidbelasting toegestaan, indien de noodzaak blijkt uit akoestisch onderzoek. Bestaande vergunningen en meldingen worden zo nodig hierop aangepast.
In geval van bestaande burgerwoningen, waarbij in de nabije omgeving bedrijven warden gesitueerd warden de standaard geluideisen gerespecteerd. Op bedrijventerreinen is dit 55-50- 45 dB(A).
In geval van nieuwe dierenasiels- en of pensions, wordt tenminste de afstandsnorm uit de Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gehanteerd.
In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande dierenasiels- en of pensions, wordt tenminste de afstandsnorm uit de Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gehanteerd.
Maatwerkvoorschrift volgens art. 2.20 lid 6 van het Activiteitenbesluit
Voor een lawaaiige activiteit, die niet behoort tot de representatieve bedrijfssituatie en die een overschrijding geeft van de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit, moet eerst worden onderzocht of de activiteit op een andere locatie kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk blijkt, kan middels een maatwerkvoorschrift op grand van art 2.20 van het Activiteitenbesluit toestemming voor de activiteit warden verleent voor maximaal 2 uur. De tijdstippen warden opgenomen in het maatwerkvoorschrift. Indien dat laatste op bezwaren stuit, wordt uiterlijk 5 dagen van tevoren het tijdstip gemeld aan de gemeente en de omgeving.
Er wordt geen maatwerkvoorschrift (volgens art. 2.20 lid 6) vastgesteld, wanneer het muziekgeluid betreft. Hierop is art 2.21 van toepassing, dat de viering van festiviteiten regelt.
Ruimtelijke ordening
Er wordt ruimtelijk een duidelijke functiescheiding aangebracht tussen bedrijfsactiviteiten en gevoelige functies (zeals wonen); in geval functiemenging de voorkeur heeft wordt de VNG uitgave "Bedrijven en Milieuzonering gevolgd".
Bij de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein brengt de gemeente een inwaartse (milieu)zonering aan. Dat wil zeggen dat op het bedrijventerrein zodanig zones warden aangebracht, dat nabij geluidgevoelige gebouwen geen lawaaiige bedrijven zich kunnen vestigen.
Bij de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein, maar ook bij de nieuwvestiging van bedrijven op bestaande bedrijventerreinen, heeft de gemeente nadrukkelijk aandacht voor de verkeersaantrekkende werking van bedrijven en de hinder van transport op de gevels van woningen langs de ontsluitingsroutes.
Bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen wordt zoveel mogelijk voorkomen dat tijdens de looptijd van het plan fricties optreden tussen bedrijfsfuncties en woonfuncties.
Als voor een school of kinderdagverblijf een wijziging van het bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan nodig is en het een perceel betreft dat in of nabij een gevoelige bestemming is gelegen, moeten de akoestische aspecten in beeld warden gebracht, zodat deze kunnen warden meegenomen in de beoordeling.
Als voor een sport- of recreatieinrichting een wijziging of vrijstelling van het bestemmingsplan nodig is, moeten de akoestische aspecten in beeld warden gebracht, zodat dit kan warden meegenomen in de beoordeling.