1. Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben
dezelfde betekenis als in de wet, de Algemene wet bestuursrecht en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015.
2. In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. Bbz: besluit bijstandverlening zelfstandigen;
b. IOAW: wet inkomensvoorziening oudere werklozen;
c. IOAZ: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. Startkwalificatie: een afgeronde havo- of vwo-opleiding of een basisberoepsopleiding mbo-2; dat wil zeggen niveau 2 van de kwalificatiestructuur, zoals vastgelegd in de Wet educatie en beroepsonderwijs;
e. Baangarantie: een overeenkomst tussen een werkgever het college dan wel de werkzoekende dat de werkgever bij inzet van een bepaalde voorziening zal overgaan tot het aanbieden van een dienstverband aan de werkzoekende voor wie de voorziening wordt ingezet;
f. Arrangement: een door het college samengesteld pakket van een of meerdere voorzieningen, toegesneden op een werkzoekende dan wel een groep werkzoekenden voor een specifieke functie, dat onder bepaalde voorwaarden kan worden aangeboden aan de werkgever die zijn bedrijf openstelt voor deze werkzoekende(n);
g. Duurzaam vrijwilligerswerk: vrijwilligerswerk dat over een periode van 6 maanden of langer wordt verricht;
h. Loonwaarde: de economische waarde van het werk dat iemand verricht of kan verrichten, in geld uitgedrukt;
i. Proeftijd: een bijzonder beding in de arbeidsovereenkomst dat wordt geregeld in artikel 7:652 B.W. In de arbeidsovereenkomst kan overeengekomen worden dat een gespecificeerde periode direct na indiensttreding beschouwd moeten worden als proefperiode;
j. Scholingsverplichting: de verplichting die voortvloeit uit de uitsluitingsgrond zoals is opgenomen in artikel 13 lid twee onderdeel c van de Participatiewet;
k. Gedeelde verwijtbaarheid: hiervan is sprake wanneer het verzuim dat verband houdt met de schending van de inlichtingenplicht, deels valt toe te rekenen aan het handelen of het verzuim van het college;
l. Hoogwaardige handhaving: het stelsel van preventieve en repressieve maatregelen gericht op het voorkomen of ontmoedigen van misbruik of oneigenlijk gebruik van bijstand;
m. Signaalsturing: de werkwijze waarbij op grond van signalen een onderzoek wordt gedaan naar de rechtmatigheid van een uitkering of verstrekking;
n. Risicosturing: het gericht inzetten van controlecapaciteit bij het handhavingsbeleid op basis van risicoprofielen;
o. Informatiegestuurd handhaven: een onderdeel van risicosturing dat wordt ingezet door meerdere bestanden te koppelen waardoor gerichter gezocht kan worden naar uitkeringsfraude en risicogevallen;
p. Themacontrole: thematisch onderzoek naar groepen cliënten waarbij het vermoeden bestaat op een verhoogd risico van onrechtmatig gedrag (bijvoorbeeld cliënten die parttime werkzaam zijn in de horeca);
q. Brutering: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;
r. Onderhoudsplichtige: degene die een financiële bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde en/of de ten laste komende kinderen dient te voldoen op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een rechterlijke uitspraak;
s. NVVK: Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren.
t. Verzamelverordening: de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2015