1. Definitie. Participatieplaatsen betreffen tijdelijke, onbeloonde en additionele werkzaamheden in de zin van artikel 10a Participatiewet, die met behoud van uitkering kunnen worden verricht door uitkeringsgerechtigden die vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt.
2. Doel. Het activeren van de uitkeringsgerechtigde staat bij een participatieplaats centraal. De participatieplaats heeft geen directe arbeidstoeleiding tot doel.
3. Doelgroep. De participatieplaats wordt ingezet voor de uitkeringsgerechtigden met geringe kans op de arbeidsmarkt die (vooralsnog) niet direct bemiddelbaar zijn naar regulier werk.
4. Nadere voorwaarden.
a. In artikel 10 a van de Participatiewet en in artikel 6 van de Verzamelverordening zijn de voorwaarden van de participatieplaats opgenomen.
b. Voor aanvang van de participatieplaats tekent zowel de uitkeringsgerechtigde, de werkgever als het college een overeenkomst waarin tenminste de duur van de participatieplaats en de aard van de werkzaamheden staat beschreven.
c. Na 6 maanden beziet het college of voortzetting van de participatieplaats zinvol is.
d. Het college kan in verband met de participatieplaats de volgende voorzieningen inzetten:
i. begeleidingskosten ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde aan de werkgever;
ii. scholing ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde zoals opgenomen in artikel 10a lid 5 van de Participatiewet, waarbij getoetst wordt aan de criteria zoals die in dat lid zijn opgenomen;
iii. een premie voor de belanghebbende als bedoeld in artikel 10a lid 6 Participatiewet.
5. Gronden voor beëindiging. Onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.1
Artikel 12
Participatieplaats
Onderdeel van Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2015