1. Het college voorziet belanghebbende van informatie over de voorwaarden waaraan de tegenprestatie moet voldoen.
2. Het college laat de belanghebbende eerst maximaal drie maanden zelf zoeken naar activiteiten die kunnen worden verricht in het kader van de tegenprestatie.
3. Het college zal, zo mogelijk en indien de belanghebbende dat wenst, ondersteuning bieden bij het zoeken van geschikte activiteiten.
4. De ondersteuning zoals bedoeld in lid 3 wordt gericht ingezet op basis van de diagnose van de belanghebbende naar zijn of haar mogelijkheden, wensen en perspectief op sociale stijging.
5. Indien belanghebbende geschikte activiteiten heeft gevonden dan wordt de tegenprestatie opgedragen met als invulling de gekozen activiteiten.
6. Het college beoordeelt of de tegenprestatie voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de wet, de Verzamelverordening en deze beleidsregels.
7. Indien de belanghebbende na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, verwijtbaar zelf geen onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten heeft gevonden, dan draagt het college een tegenprestatie op, bestaande uit op de op dat moment voorhanden zijnde activiteiten.
8. Het college legt de tegenprestatie vast in een beschikking, waarin tenminste de duur, de omvang en de aard van de activiteiten staan beschreven.
9. De belanghebbende kan, indien gewenst, na afloop van de tegenprestatie de activiteiten voortzetten, waarna deze niet meer worden beschouwd als activiteit in het kader van de tegenprestatie.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf
Artikel 20
Opdragen tegenprestatie
Onderdeel van Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2015