Bij de invulling van deze visie gaan wij uit van de volgende strategische uitgangspunten en ambitieniveaus:
Bestaande situaties:
Bij bestaande situaties heeft brongericht beleid de voorkeur. Dit is gericht op het nemen van maatregelen door de risicoveroorzaker. Denk bijvoorbeeld aan het verkleinen, verplaatsen of wegnemen van de risicobron. Regulering hiervan vindt primair plaats vanuit de milieuwetgeving: vergunningverlening en het toezicht op de naleving hiervan.
Het (pro)actief terugdringen van bestaande, in het verleden ontstane risicosituaties in (of nabij) de woonomgeving. Hiermee wordt een veiliger woon- en werkklimaat nagestreefd.
Het (pro)actief opheffen van niet-acceptabele risicosituaties. Risicovolle activiteiten worden verminderd (bijvoorbeeld via aanpassing van de Wm-vergunning of herziening van bestemmingsplannen), dan wel beëindigd (sanering) in situaties waarbij de risico’s de landelijke normen overschrijden, of indien het maatschappelijke belang daartoe aanleiding geeft.
Voor zowel uitgangspunt 1 als 2 geldt: bestaande risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten (opnieuw) inventariseren en waar nodig en gewenst (nader) onderzoeken, toetsen aan landelijke normering, mogelijkheden zoeken voor een verdere verbetering op basis van BBT7 BBT: Beste Beschikbare Technieken. , het vastleggen in daartoe beschikbare instrumenten en daarop actief handhaven.
Waar mogelijk en gewenst worden overdrachtgerichte maatregelen genomen. Dit zijn maatregelen die de verspreiding van het risico moeten verminderen of voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan het opwerpen van een fysieke barrière, zoals een wal of een waterscherm. Dergelijke maatregelen zijn lang niet voor alle ongevalscenario’s mogelijk. Hier dient een afweging te worden gemaakt welke kosten acceptabel zijn om de externe veiligheid met een bepaald niveau te vergroten.
Nieuwe situaties:
Bij nieuwe situaties, zoals nieuwe RO-situaties, nieuwe inrichtingen of nieuwe risicobronnen, wordt zowel bron- als effectgericht beleid gevolgd. Dit is gericht op het verminderen van de gevolgen van een mogelijk incident (de kans wordt dus niet verminderd). Hiermee worden de ruimtelijke consequenties van externe veiligheid in kaart gebracht en wordt door het treffen van maatregelen en ruimtelijke ordening een zo veilig mogelijke leefsituatie geschapen.
Het uitsluiten van nieuwe risicobronnen binnen het centrum en woonwijken. Bij nieuwe planologische ontwikkelingen dienen activiteiten waarbij een toename van het risico valt te verwachten, op voorhand te worden uitgesloten.
Nieuwe risicobronnen zijn slechts mogelijk binnen de daartoe specifiek aangewezen gebieden. Bij nieuwe planologische ontwikkelingen dient elke toename van het risico steeds vooraf te worden beoordeeld en verantwoord. Bovendien geldt daarbij als randvoorwaarde dat de PR 10-6/jaar contour binnen de perceelsgrens moet liggen.
Het groepsrisico in het invloedsgebied, gebied tussen risicobron en (beperkt) kwetsbare objecten, dient zo laag mogelijk gehouden te worden. Deze dient minimaal onder de oriëntatiewaarde te blijven. Het streven is echter dat het GR kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde.
Hierdoor kunnen verantwoorde keuzes worden gemaakt voor de ontwikkeling in de omgeving van een risicovolle activiteit.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.3
Strategische uitgangspunten
Onderdeel van Beleidvisie Externe Veiligheid Gemeenten Hoeksche Waard (beleidsvisie en basisvisie)