De persoon uit de doelgroep is verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden.
De persoon uit de doelgroep kan aanspraak maken op ondersteuning bij arbeidsinschakeling ten behoeve van het realiseren van de, naar het oordeel van het college, kortste weg naar arbeid naar vermogen. Het college bepaalt hoe deze aanspraak wordt ingevuld.
De persoon uit de doelgroep aan wie een voorziening wordt aangeboden, is verplicht gebruik te maken van deze voorziening.
De persoon uit de doelgroep aan wie een onderzoek door deskundigen wordt aangeboden naar diens mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en diens eventuele beperkingen daarbij, is verplicht hiervan gebruik te maken.
Onverminderd andere verplichtingen, voortvloeiend uit wet- of regelgeving, geldt voor een persoon die deelneemt aan of deelgenomen heeft aan een voorziening de verplichting:
alle inlichtingen te verstrekken aan het college over de passendheid en de voortgang van de voorziening en wijzigingen in zijn persoonlijke situatie die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de aanspraak op ondersteuning en de noodzaak van voortzetting van de voorziening, daaronder in ieder geval begrepen wijzigingen in woonplaats, wijzigingen met betrekking tot gezondheidssituatie of arbeidshandicaps en wijzigingen met betrekking tot nevenwerkzaamheden of neveninkomsten;
zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken over de inhoud, passendheid, voortgang en uitvoering van de voorziening;
naar vermogen uitvoering te geven dan wel mee te werken aan de onderdelen van de voorziening;
na te laten alles dat de realisatie van het doel van de voorziening belemmert;
zich in te spannen om kinderopvang te verkrijgen en mee te werken aan kinderopvang.
Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, IOAW of IOAZ en deze verordening, aan een voorziening nadere verplichtingen verbinden als bedoeld in paragraaf 6.3 van de wet.
Als een persoon zijn verplichtingen krachtens het derde lid, het vierde lid, het vijfde lid of het zesde lid niet nakomt, kan het college, onverminderd het bepaalde in artikel 18, vierde lid van de wet en in hoofdstuk 3 van deze verordening, beslissen dat zijn aanspraak op iedere voorziening vervalt.
Het college informeert de belanghebbende op adequate wijze over de voor hem geldende rechten en plichten jegens het college en derden welke voortvloeien uit deze verordening of anderszins betrekking hebben op diens arbeidsinschakeling en medewerking aan een voorziening.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.3.
Rechten en plichten
Onderdeel van VERORDENING WERK EN INKOMEN GEMEENTE ZWIJNDRECHT