Het college weigert de uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ blijvend op grond van artikel 20, eerste lid van de IOAW respectievelijk artikel 20, tweede lid van de IOAZ, indien
aan de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, en;
de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of
de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering tijdelijk geweigerd indien de gedraging de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. De periode van weigering komt in dat geval maximaal overeen met de mate waarin de belanghebbende in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW of artikel 8 IOAZ zou hebben kunnen verwerven en deze periode is nooit langer dan zes maanden.
Nadat ten aanzien van de belanghebbende tweemaal toepassing is gegeven aan het tweede lid, weigert het college de gehele uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ blijvend indien voor een derde maal een dienstbetrekking van belanghebbende verwijtbaar is geëindigd of hij een dienstbetrekking verwijtbaar niet heeft verkregen.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.1
Artikel 3.4.
Weigering van de IOAW en IOAZ
Onderdeel van VERORDENING WERK EN INKOMEN GEMEENTE ZWIJNDRECHT