Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 7.3

Artikel 7.3.2

Karterende fase

Onderdeel van Beleidsnota archeologie 2011

Het doel van de karterende fase is het in kaart brengen van (nog onbekende) archeologische vindplaatsen. In de meeste gevallen bestaat een kartering uit booronderzoek, aangevuld met een oppervlaktekartering. De boordichtheid en -strategie worden bepaald door de specifieke onderzoeksvraag en de archeologische verwachting. In de KNA zijn richtlijnen opgenomen over de te hanteren boordichtheden onder verschillende omstandigheden. Deze zijn gebaseerd op een omvangrijke studie naar de betrouwbaarheid en toepasbaarheid van booronderzoek in de prospectiearcheologie en de leidraad booronderzoek van de SIKB. Het kan blijken dat niet een booronderzoek de beste methode is voor een karterende fase, maar dat juist gravend onderzoek (proefsleuven of proefputten) noodzakelijk zijn (bijv. voor het opsporen van vroege en late prehistorische vindplaatsen met een lage tot matige vondstdichtheid en voor het karteren van een mogelijk grafveld). De meest geschikte onderzoeksmethode is sterk afhankelijk van de aanwezige bodemsoort in het plangebied, de gespecificeerde archeologische verwachting en de geplande bodemverstoring. De gemeente toetst daarom graag voorafgaand aan het onderzoek het Plan van Aanpak en de voorgestelde onderzoeksmethode!

Rechtspraak bij dit artikel