Ongeveer een derde van de oppervlakte van de gemeente Soest (ca. 4.600 hectare) bestaat uit bos. Het overgrote deel van de bossen ligt op de zandgronden ten zuiden en zuidwesten van de bebouwde kom van het dorp Soest. Het overgrote deel is aangeplant, veelal naaldbossen van grove den, Douglas spar, fijnspar en Japanse lariks en of zwarte den. Loofbossen van zomereik en beuk beslaan een veel kleinere oppervlakte. De productiebossen worden vaak doorsneden door loofhoutlanen van zomereik en beuk. Sommige van deze lanen zijn door hun ouderdom van aanzienlijke waarde, zowel ecologisch als landschappelijk.
Op de veen- en kleigronden ten noordoosten van het dorp Soest komen slechts enkele kleine bosperceeltjes en bosstroken voor kleiner dan 2 ha, deze zijn fragmentarisch ontwikkeld.
Ecologische betekenis
De uitgestrekte bossen in het zuidelijke deel van de gemeente Soest herbergen omvangrijke (deel)populaties
van soorten die zijn gebonden aan gemengde bossen, loof-en naaldbossen. Het gaat hierbij zowel om zoogdieren en vogels als om reptielen en insecten. Door de grote oppervlakte die de bossen beslaan, zijn ze van aanzienlijke betekenis als leefgebied voor soorten met grote territoria, zoals das, boommarter, roofvogels, zwarte specht en raaf.
Oude bospercelen en lanen met veel bomen met holten zijn van belang voor in bomen verblijvende vleermuizen.
De bossen van Soest zijn ook van aanzienlijke waarde voor paddenstoelen, in het bijzonder voor soorten die op dood hout leven en soorten die ectomycorrhiza vormen met verschillende boomsoorten. Voor deze laatste groep zijn vooral bosranden en lanen van betekenis.
DROGE BOSSEN OP VOEDSELARME TOT MATIG VOEDSELRIJKE BODEMS
1. Eikenspaartelgen- en eikenstrubbenbossen
Op het grondgebied van de gemeente Soest is in het verleden op verschillende locaties een aanzienlijke oppervlakte eikenhakhout aangeplant. Het beheer van dit hakhout is decennia geleden gestaakt en de hakhoutbossen zijn omgevormd naar of veranderd in opgaand eikenbos (eikenspaartelgenbos, eikenstrubbenbos) of vervangen door naaldbos.
De eikenspaartelgenbossen bestaan uit bomen met één stam (soms twee of drie), vaak met een duidelijke knik. Ze zijn ontstaan doordat van de uitlopers op de oorspronkelijke hakhoutstoof één uitloper (telg) werd gespaard (op enen zetten) die vervolgens uitgroeide tot een opgaande boom.
Bij de eikenstrubbenbossen zijn alle uitlopers op de oorspronkelijke hakhoutstoof uitgegroeid, waardoor er bolvormige bomen met talrijke kronkelige stammen zijn ontstaan. De stoven van sommige van de eikenstrubben hebben een omvang van 15 meter of meer (Wildschut et al. 2004). De leeftijd van deze bomen wordt geschat op 400 jaar of meer.
Ecologische betekenis
De voormalige eikenhakhoutbossen zijn van grote betekenis door hun (deels) hoge leeftijd. Oude bossen zijn in Nederland betrekkelijk zeldzaam. Om die reden zijn nagenoeg alle oudere hakhoutbossen en -wallen in de gemeente Soest aangemerkt als waardevolle oude boskern. De voormalige hakhoutbossen zijn tevens van betekenis als groeiplaats van bijzondere planten. In de eerste plaats is dat de wintereik, een soort die in Nederland zeldzaam is.
Bovendien zijn de hakhoutbossen een overblijfsel van een vroegere bosbouwcultuur die grotendeels verloren is gegaan; in die zin zijn ze ook cultuurhistorisch van waarde.
2. Vrij jonge Grove dennenbossen
Verspreid over het bosareaal van de gemeente Soest liggen kleine perceeltjes grove dennenbos die veelal zijn ontstaan uit spontane opslag. Het gaat hierbij om bosperceeltjes van 15 tot 50 jaar oud die vaak maximaal zo’n twee hectare groot zijn. De bosjes kenmerken zich door een dunne (<3 cm) of zelfs nagenoeg ontbrekende strooisellaag; door accumulatie van organisch materiaal hebben oudere grove dennenpercelen vaak een dikkere strooisellaag, waardoor ze als groeiplaats voor bijzondere soorten planten en paddenstoelen minder geschikt of ongeschikt zijn.
De bodem is veelal begroeid met een gesloten moslaag of een open grazige vegetatie met plekjes kaal zand. De meest waardevolle grove dennenperceeltjes liggen op locaties waar zich overgangen in de a-biotische omstandigheden (microgradiënten) in bodemgesteldheid, vochthuishouding en expositie) voordoen.
Ecologische betekenis
Qua bos stellen de betreffende perceeltjes niet heel veel voor, maar sommige zijn van aanzienlijke betekenis als groeiplaats voor zeldzame planten als dennenorchis, grote wolfsklauw en klein wintergroen. Andere perceeltjes zijn van belang als groeiplaats van (zeer) zeldzame paddenstoelen. Zo werd in 2017 in een jong grove dennenperceeltje een groeiplaats gevonden van de geschubde stekelzwam, een soort die recent in Nederland nog op drie andere groeiplaatsen is aangetroffen.
VOCHTIGE BOSSEN OP VOEDSELARME TOT VOEDSELRIJKE BODEMS
Goed ontwikkelde vochtige bossen op voedselarme tot -rijke bodems komen in de gemeente Soest niet voor. Opgaande elementen die tot dit soort bossen kunnen worden gerekend beslaan een zeer kleine oppervlakte en zijn op zijn best fragmentarisch ontwikkeld. Door de geringe oppervlakte hebben ze als leefgebied voor kenmerkende en bijzondere soorten slechts een (zeer) geringe betekenis. Wel kunnen lijnvormige elementen, die nagenoeg beperkt zijn tot de Laagte van Pijnenburg, een functie vervullen als verbindende of geleidende elementen, onder andere voor vleermuizen en vogels.
3. Toplocatie bossen
De volgende gebieden kunnen vanwege hun ecologische betekenis worden aangemerkt als toplocatie:
Eikenstrubbenbossen van de Vlasakkers en de Stompert;
Eikenstrubbenbos op de vliegbasis Soesterberg;
Eikenstrubben- en eikenspaartelgenbossen op de hoge stuifwallen langs de noordrand van de korte en lange duinen;
Vrij jonge grove dennenpercelen op het terrein van het pompstation Soestduinen;
Jonge grove dennenpercelen op landgoed De Paltz;
Jonge grove dennenpercelen op de Vliegbasis Soesterberg.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.6
Artikel 2.6.1
KENSCHETS BOSSEN
Onderdeel van Landschap- en Natuurontwikkelingsplan