Naar hoofdinhoud
1. De voorzitter bepaalt plaats en tijdstip van de hoorzitting waarin de bezwaarmaker, eventuele andere belanghebbenden en het bestuursorgaan in de gelegenheid worden gesteld zich door de Commissie te laten horen. 2. De voorzitter nodigt de bezwaarmaker, eventuele andere belanghebbenden en het verwerend bestuursorgaan ten minste twee weken voor de hoorzitting schriftelijk uit. 3. Binnen drie werkdagen na de uitnodiging kunnen de bezwaarmaker, eventuele andere belanghebbenden of het verwerend bestuursorgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip van de hoorzitting te wijzigen. 4. De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt binnen drie werkdagen na ontvangst van dit verzoek aan de bezwaarmaker, eventuele andere belanghebbenden en het verwerend bestuursorgaan meegedeeld. 5. De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of afwijking toe te staan van de termijnen, genoemd in het tweede tot en met vierde lid. 6. De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de Commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Als daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college vereist. 8. Het horen vindt in beginsel plaats door de voorzitter, dan wel diens plaatsvervanger en twee leden. Voor het houden van een hoorzitting is vereist dat tenminste één lid en de (plaatsvervangend) voorzitter aanwezig zijn. 9. In afwijking van het achtste lid van dit artikel hoort de Commissie bij ontstentenis van de (plaatsvervangend) voorzitter met tenminste twee leden. Alsdan voorziet de Commissie voor de duur van de hoorzitting in een waarnemend voorzitter ten aanzien van het horen. 10. De voorzitter kan de bevoegdheden van de leden 1,2,4 en 5 van dit artikel mandateren aan de secretarissen van de Commissie.

Rechtspraak bij dit artikel