Bij de verwerking van persoonsgegevens staat respect voor de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n) voorop. De AVG biedt hiervoor het wettelijk kader, samen met de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Als algemene regel geldt dat persoonsgegevens op een behoorlijke en zorgvuldige manier moeten worden verwerkt. Degene die verantwoordelijk is voor de gegevensverwerking moet daarbij transparant zijn. De AVG bepaalt verder dat persoonsgegevens alleen voor een specifiek omschreven doel mogen worden verwerkt en niet voor andere doelen dan waarvoor zij verzameld zijn. Daarbij bepaalt de AVG dat deze gegevens alleen mogen worden verwerkt als dat noodzakelijk is om het specifiek beschreven doel te bereiken en dat er zo min mogelijk gegevens worden verwerkt. Dat houdt ook in dat persoonsgegevens niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk is voor het doel waarvoor ze zijn verzameld.1Deze algemene uitgangspunten zijn terug te vinden in de artikelen 5 en 6 van de AVG en de uitgangspunten inzake transparantie in de artikelen 13 en 14 van de AVG. Beide onderdelen worden in paragraaf 2.2 nader uitgewerkt.
De AVG is een algemene wet, met algemene bepalingen en uitgangspunten. In specifiekere wetten (bijvoorbeeld de Jeugdwet, de Wmo, de Participatiewet) zijn ook bepalingen rond verwerkingen van persoonsgegevens opgenomen.
De bepalingen in specifieke (sectorale) wetgeving over de verwerking van persoonsgegevens geven een specifieke invulling van de bepalingen van de AVG. Zo mogen bijvoorbeeld medische gegevens alleen worden verwerkt indien hier een wettelijke grondslag voor is; deze wetten geven dan die grondslag. Maar dat neemt niet weg dat de algemene uitgangspunten vanuit de AVG, zoals ‘niet meer dan nodig’, ‘alleen indien nodig’ en ‘niet langer dan nodig’, nog steeds gelden en dienen te worden vertaald naar werkprocessen.