(artikel 4.5, eerste lid Wmo-verordening 2015)
a Productbeschrijving
In de maatschappelijke opvang zijn in Amsterdam vijf clusters van voorzieningen te onderscheiden:
Begeleid wonen met reguliere (niet- intensieve) begeleiding
Groepswonen met reguliere (niet- intensieve) begeleiding
Intramuraal (24 uurs) met reguliere (niet- intensieve) begeleiding
Gezinsopvang
Meerzorg (specifieke opvang voor mensen met somatische problematiek)
Toegang wordt beoordeeld door de Centrale Toegang aan de hand van de criteria in de Wmo- verordening 2015 en aan de hand van de zelfredzaamheidsmatrix. De GGD Amsterdam bepaalt aan de hand van een stedelijke wachtlijst wanneer en waar welke cliënt geplaatst wordt.
Voor slachtoffers van huiselijk geweld wordt voorzien in crisisopvang. Deze duurt in beginsel maximaal zes weken; in uitzonderingsgevallen kunnen daar zes weken bij komen. Het doel van de crisisopvang is dat de slachtoffers en eventueel hun kinderen tot rust komen en bedenken welke stappen er voor de toekomst nodig zijn. Het eerste wat er in de crisisopvang gebeurt, is bekijken hoe groot het actuele risico op geweld is.
Als het erop lijkt dat de problemen uit de hand lopen, bekijkt de hulpverlener welke actie er nodig is. Dat gebeurt altijd samen met het slachtoffer en met eventuele kinderen. Als de veiligheid dat toelaat wordt ook de pleger van het geweld hierbij betrokken. Bij acute dreiging of geweld kan de politie worden ingeschakeld. In levensbedreigende situaties kunnen cliënten, in overleg met de gezinshulpverlener, opgevangen worden in een ‘Safe House’ of op een andere locatie elders in het land.
bVoorwaarden voor verstrekking
De Wmo-verordening 2015 noemt in de artikelen 4.1 en 4.5 lid 1 een aantal criteria. Eerst wordt beoordeeld of iemand in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. Die beoordeling vindt plaats op basis van toelatingscriteria.
De toegang tot opvang in Amsterdam is voorbehouden aan een persoon die:
De Nederlandse nationaliteit heeft, of als vreemdeling rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
Toelichting
In uitzonderlijke situaties wordt ook aan ‘niet rechthebbenden’ tijdelijk toegang verleend tot de maatschappelijke opvang. Het gaat om situaties die mensonterend zijn, of waarbij zonder opvang kinderen (jonger dan 18 jaar) op straat zouden moeten verblijven. Grondslag hiervoor is de werking van internationale mensenrechtenverdragen, met name artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Tegelijkertijd is sprake van een cliënt
die feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorafgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en
onvoldoende of beperkt zelfredzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden, en
niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen.
Specifiek voor gezinsopvang geldt dat bij co-ouderschap een ouder toegang tot de voorziening krijgt als de ouder aan de criteria voor opvang voldoet en:
de ouder minimaal voor 50% van de tijd de zorg heeft voor kind(eren), of
er sprake is van een gefaseerde terugplaatsing van kind(eren) voor minimaal 50% van de tijd
Gedurende het verblijf in de gezinsopvang gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
Client draagt zorg voor (een) minderjarig(e) kind(eren);
Client verstrekt de juiste gegevens op basis waarvan de gemeente een beslissing kan nemen
Client en gezinsleden werken mee aan de begeleiding;
Client en gezinsleden werken mee aan overplaatsing naar een andere locatie;
Client en gezinsleden houden zich aan de huisregels van de opvanglocatie;
Client en gezinsleden accepteren een passende (omslag)woning;
Client betaalt de eigen bijdrage of huur of werkt mee aan een betalingsregeling als er te weinig inkomen is;
Client en gezinsleden hebben geen verslaving of acute psychiatrische problematiek die zo ernstig is dat deze zorg niet binnen de maatschappelijke opvang voor gezinnen kan worden gegeven.
Toelichting:
Beoordeling dakloosheid
Om vast te kunnen stellen of iemand feitelijk dan wel residentieel dakloos is wordt de woongeschiedenis van een cliënt in kaart gebracht, waar mogelijk ondersteund door gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP).
Beoordeling zelfredzaamheid
De maatwerkvoorziening opvang is bedoeld voor personen die zich niet zelfstandig kunnen handhaven in de maatschappij. Dat is het geval als iemand, door zware of meervoudige problematiek, geen regie meer kan voeren over zijn eigen leven (waaronder zorg en onderdak). De Centrale Toegang brengt de problematiek en beperkingen in kaart met behulp van de Zelfredzaamheidsmatrix, waarbij de volgende levensdomeinen worden beoordeeld: geestelijke gezondheid, middelengebruik, lichamelijke gezondheid, huisvesting, huiselijke relaties, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie, werk en opleiding, basale ADL-vaardigheden, instrumentele ADL, tijdsbesteding, financiën en justitie.
Bij alle domeinen wordt onderscheid gemaakt in: ‘acute problematiek’ (1); ‘niet zelfredzaam’ (2); ‘beperkt zelfredzaam’ (3); ‘voldoende zelfredzaam’ (4) en ‘volledig zelfredzaam’ (5). Op basis van de scores op de verschillende domeinen wordt de zelfredzaamheid vastgesteld.
Voor meerpersoonshuishoudens geldt dat de zelfredzaamheid van het systeem als geheel wordt beoordeeld. Als er zorg voor minderjarige kinderen is worden bovendien de opvoedvaardigheden en kindveiligheid in kaart gebracht door een aanvullende beoordeling op de volgende domeinen: lichamelijke verzorging, sociaal emotionele ondersteuning, scholing en opvang.
Als de zorgvragen kunnen worden opgelost met alleen woonruimte en eventueel andere (algemene of maatwerk) voorzieningen, wordt geen maatschappelijke opvang verstrekt.
Maatschappelijke opvang is niet bedoeld als een alternatieve route naar woonruimte.
Co-ouderschap
Om de afspraken omtrent co-ouderschap te kunnen toetsen gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
De gelijke verdeling van de zorg over beide ouders (50/50% regeling) is vastgelegd in een officieel ouderschapsplan, omgangsplan, plan van aanpak hulpverlening en/of perspectiefplan jeugdzorg.
Het omgangsplan/ouderschapsplan is bekrachtigd door een mediator, notaris, JBRA, professionele hulpverlener of vastgesteld bij de rechtbank.
Bij een relatiebreuk waarbij geen officiële instantie is betrokken, is het omgangsplan/ouderschapsplan bekrachtigd met een gelegaliseerde handtekening.
Om aan te kunnen sluiten bij de voorwaarden voor de uitstroom naar een omslagwoning moet bij de aanvraag hiervan de ouder daadwerkelijk minimaal 50% van de tijd zorgdragen voor kind(eren).
Landelijke toegankelijkheid (4.5, vierde lid Wmo-verordening 2015)
De VNG heeft in 2019 een vernieuwd Convenant Landelijke Toegankelijkheid opgesteld dat de landelijke toegankelijkheid van de opvang moet waarborgen. Belangrijkste uitgangspunt van het convenant is dat gekeken wordt naar de gemeente waar het duurzaam herstel van de cliënt het beste gerealiseerd kan worden.
Onderzoek
Als een cliënt die dakloos is in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang, vindt conform het convenant onderzoek plaats op de volgende onderdelen om te bepalen in welke gemeente de opvang het beste geboden kan worden:
Woongeschiedenis: Onderzocht wordt waar de laatste woonplaats was van cliënt voordat die dakloos werd. Hiervoor wordt het BRP geraadpleegd. Als blijkt dat de cliënt woonachtig was in een andere gemeente voorafgaand aan de dakloosheid kan de cliënt worden overgedragen aan de gemeente van herkomst. Dit kan alleen als hierover overeenstemming is met de gemeente van herkomst. Als niet duidelijk kan worden vastgesteld waar de cliënt zijn laatste woonadres had, is de aanmeldgemeente aan zet om het onderzoek uit te voeren.
De wens van de cliënt: Uit het onderzoek moet duidelijk worden waar de cliënt opgevangen wil worden en waarom de opvang in de gemeente van voorkeur kan bijdragen aan het herstel van de cliënt.
Het sociaal netwerk van de cliënt: In het onderzoek wordt onderzocht welk netwerk de cliënt heeft, en of dit netwerk een positieve of juist negatieve invloed heeft op het herstel van de cliënt.
Werk, dagbesteding of onderwijs: In het onderzoek wordt in kaart gebracht of en zo ja waar de cliënt dagbesteding heeft in de vorm van (vrijwilligers)werk of onderwijs, en of dit op positieve wijze bijdraagt aan het herstel van de cliënt.
Hulpverlening of ondersteuningstrajecten: onderzocht wordt welke hulpverleningstrajecten er lopen, en bij welke zorgaanbieders, en in hoeverre deze bijdragen aan het herstel van de cliënt.
Criminele activiteiten: Tot slot wordt in kaart gebracht of er sprake is van criminele activiteiten, of er politie- of justitie contacten zijn en of een traject in de aanmeldgemeente bijdraagt aan het verminderen van deze activiteiten. Ook wordt gekeken of er (justitiële) maatregelen genomen waarmee rekening gehouden moet worden.
Op basis van het onderzoek wordt besloten in welke gemeente de maatwerkvoorziening en daarmee het herstel het beste kan plaatsvinden. Als dit in een andere gemeente dan Amsterdam is, vindt er overleg plaats met die gemeente. Is de ontvangende gemeente het eens met de conclusie dan vindt er een overdracht plaats. Als gemeenten er onderling niet uitkomen, kan de casus worden voorgelegd aan de Commissie geschillen landelijke toegankelijkheid die is ondergebracht bij de VNG. De uitspraak van de commissie is bindend. Gedurende de behandeling van het geschil vangt de aanmeldgemeente de cliënt op.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.6
Artikel 4.6.1
Maatschappelijke opvang
Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam juli 2022