(artikel 4.5, derde lid Wmo-verordening 2015)
a Productbeschrijving
Beschermd wonen gaat om het bieden van onderdak en begeleiding aan personen van 18 jaar en ouder met een psychische aandoening en/of verstandelijke beperking die (nog) niet geheel zelfstandig kunnen functioneren binnen de samenleving. Centraal staat op participatie gerichte ondersteuning vanuit een beschermende woonomgeving.
De voorzieningen voor beschermd wonen worden in Amsterdam onderverdeeld in vier clusters:
Begeleid wonen met intensieve begeleiding
Groepswonen met intensieve begeleiding
Intramuraal (24-uurs) met intensieve begeleiding
Meerzorg (specifieke opvang voor mensen met somatische problematiek)
Persoonlijke verzorging en verpleging kunnen onderdeel zijn van de voorziening beschermd wonen.
Toegang wordt beoordeeld door de Centrale Toegang aan de hand van de criteria in de Wmo-verordening 2015 en aan de hand van beslisbomen die deze criteria vertalen in een handleiding. De GGD Amsterdam bepaalt aan de hand van een stedelijke wachtlijst wanneer en waar welke cliënt geplaatst wordt. Indien er een wachttijd is voor plaatsing, verwijst de Centrale Toegang naar overbruggingszorg.
bVoorwaarden voor verstrekking
De Wmo-verordening 2015 noemt in de artikelen 4.1 en 4.5 lid 3 een aantal criteria. Van belang is, dat de Centrale Toegang bij de beoordeling tot toegang altijd voor de lichtste oplossing kiest, passend bij de mogelijkheden van de cliënt. Dat betekent dat plaatsing in het cluster begeleid wonen de voorkeur heeft boven plaatsing in een van de andere clusters.
De toegang tot beschermd wonen in Amsterdam is voorbehouden aan een persoon die:
De Nederlandse nationaliteit heeft, of als vreemdeling rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
Toelichting
Cliënt dient de noodzakelijke documenten te overleggen (geldig identiteitsbewijs, verblijfsstatus).
Tegelijkertijd sprake is van een cliënt
die een psychiatrische aandoening heeft en/of een verstandelijke beperking, en
waarbij er voor hem sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychiatrische aandoening en/of de verstandelijke beperking, en
die niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen.
Toelichting
Uitgangspunt: de huidige cliëntgroep (in 2014) heeft de AWBZ-indicatie zorgzwaartepakket (ZZP) C; psychiatrische aandoening is daarvoor een grondslag.
In de wettekst wordt ook de grondslag psychosociaal genoemd. Die laatstgenoemde groep kan:
als sprake is van dakloosheid en beperkte zelfredzaamheid vallen onder de doelgroep voor de opvang;
als geen sprake is van dakloosheid ondersteund worden in de thuissituatie (dus lichter Wmo-aanbod)
als geen sprake is van beperkte zelfredzaamheid maar wel van dakloosheid gebruik maken van lichter Wmo-aanbod, zoals maatschappelijke dienstverlening.
De criteria beogen enerzijds het benoemen van de cliëntgroep voor de Wmo en tegelijkertijd afbakening naar:
lichtere groepen (voormalige ZZP 1 en 2 GGZ, huidige MO)
zwaardere groepen (huidige GGZ ZZP B, die tot de doelgroep van de Wlz dan wel Zvw behoren)
andere problematiek die op de voorgrond staat (bijvoorbeeld somatiek)
Daarom hanteert Amsterdam de volgende criteria:
noodzaak van bescherming die voortvloeit uit psychiatrische aandoening en/of verstandelijke beperking
afbakening naar Wlz en naar lichtere groepen
de psychiatrische aandoening moet leiden tot de noodzaak tot bescherming,
dus:
er moet een noodzaak tot bescherming zijn
hiermee worden lichtere cliëntgroepen uitgesloten
die moet direct verbonden zijn aan de psychiatrische aandoening en/of de verstandelijke beperking (zoals nu wordt omgegaan met dominante problematiek) ter voorkoming dat mensen waarbij somatiek op de voorgrond staat onbedoeld aanspraak gaan maken op beschermd wonen
Het criterium dat geen noodzaak tot 24-uurs toezicht (nabijheid) van behandelaar is, is bedoeld ter verduidelijk van de afbakening met de Wlz.
Landelijke toegankelijkheid
De VNG heeft in 2019 een vernieuwd Convenant Landelijke Toegankelijkheid opgesteld dat de landelijke toegankelijkheid van de opvang moet waarborgen. Belangrijkste uitgangspunt van het convenant is dat gekeken wordt naar de gemeente waar het duurzaam herstel van de cliënt het beste gerealiseerd kan worden.
Onderzoek
Als een cliënt die dakloos is in aanmerking komt voor Beschermd wonen, vindt conform het convenant onderzoek plaats op de volgende onderdelen om te bepalen in welke gemeente de opvang het beste geboden kan worden:
Woongeschiedenis: Onderzocht wordt waar de laatste woonplaats was van cliënt voordat die dakloos werd. Hiervoor wordt het BRP geraadpleegd. Als blijkt dat de cliënt woonachtig was in een andere gemeente voorafgaand aan de dakloosheid kan de cliënt worden overgedragen aan de gemeente van herkomst. Dit kan alleen als hierover overeenstemming is met de gemeente van herkomst. Als niet duidelijk kan worden vastgesteld waar de cliënt zijn laatste woonadres had, is de aanmeldgemeente aan zet om het onderzoek uit te voeren.
De wens van de cliënt: Uit het onderzoek moet duidelijk worden waar de cliënt opgevangen wil worden en waarom de opvang in de gemeente van voorkeur kan bijdragen aan het herstel van de cliënt.
Het sociaal netwerk van de cliënt: In het onderzoek wordt onderzocht welk netwerk de cliënt heeft, en of dit netwerk een positieve of juist negatieve invloed heeft op het herstel van de cliënt.
Werk, dagbesteding of onderwijs: In het onderzoek wordt in kaart gebracht of en zo ja waar de cliënt dagbesteding heeft in de vorm van (vrijwilligers)werk of onderwijs, en of dit op positieve wijze bijdraagt aan het herstel van de cliënt.
Hulpverlening of ondersteuningstrajecten: onderzocht wordt welke hulpverleningstrajecten er lopen, en bij welke zorgaanbieders, en in hoeverre deze bijdragen aan het herstel van de cliënt.
Criminele activiteiten: Tot slot wordt in kaart gebracht of er sprake is van criminele activiteiten, of er politie- of justitie contacten zijn en of een traject in de aanmeldgemeente bijdraagt aan het verminderen van deze activiteiten. Ook wordt gekeken of er (justitiële) maatregelen genomen waarmee rekening gehouden moet worden.
Op basis van het onderzoek wordt besloten in welke gemeente de maatwerkvoorziening en daarmee het herstel het beste kan plaatsvinden. Als dit in een andere gemeente dan Amsterdam is, vindt er overleg plaats met die gemeente. Is de ontvangende gemeente het eens met de conclusie dan vindt er een overdracht plaats. Als gemeenten er onderling niet uitkomen, kan de casus worden voorgelegd aan de Commissie geschillen landelijke toegankelijkheid die is ondergebracht bij de VNG. De uitspraak van de commissie is bindend. Gedurende de behandeling van het geschil vangt de aanmeldgemeente de cliënt op.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.6
Artikel 4.6.3
Beschermd wonen
Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam juli 2022