Naar hoofdinhoud

Artikel 1.

Begripsbepaling

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam

In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Aanvrager: de persoon die de aanvraag doet en zijn of haar gezin; Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; Bijstandsnorm: de norm die op een alleenstaande of gehuwde van toepassing is als bedoeld in artikel 20, artikel 21 of artikel 22 van de Participatiewet; College: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam; Draagkracht: het deel van het inkomen en/of vermogen dat de aanvrager zelf kan bijdragen aan de kosten; Individuele inkomenstoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet; Inkomen: inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet en art. 6 van de Bbz indien het inkomen uit onderneming betreft; Inkomensvrijlating: het vrij te laten inkomen zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid van de Participatiewet; Inrichting: een instelling voor kort- of langdurige zorg zoals bedoeld in artikel 1 onder f van de Participatiewet; Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting; Studietoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet; Voorliggende voorziening: een passende en toereikende voorziening waarop de aanvrager een beroep kan doen of aanspraak kan maken voor de bekostiging van specifieke uitgaven zoals bedoeld in artikel 5 sub e en 15 van de Participatiewet; Vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid van de Participatiewet en art. 7 van de Bbz indien de aanvrager ondernemer is; Vermogensvrijlating: het vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34, derde lid van de Participatiewet; Wet: Participatiewet; Wlz: de Wet langdurige zorg; Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel