Naar hoofdinhoud

Artikel 5.1.4.

Vermogen

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam

1. . Het vermogen zoals bedoeld in artikel 34, derde lid van de Participatiewet wordt vrijgelaten, tenzij de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft op: een situatie waarin er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de aanvrager; de aflossing van schulden; de kosten voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen, of kosten waarvoor alleen om zeer dringende redenen bijzondere bijstand wordt verleend. 2. . In de situaties zoals genoemd in het voorgaande lid 1a t/m 1d wordt van het in aanmerking te nemen vermogen een bedrag vrijgelaten ter hoogte van: 2 maanden bijstandsnorm wanneer de aanvrager geen kinderen heeft; 3 maanden bijstandsnorm wanneer de aanvrager wel één of meer kinderen heeft. 3. . Wanneer de aanvrager beschikt of kan beschikken over vermogen waarvan de waarde de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, te boven gaat, dan wordt dit meervermogen in aanmerking genomen bij de berekening van de draagkracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel