Het pgb wordt door de gemeente vastgesteld aan de hand van een plan over de besteding van het pgb dat de inwoner heeft gemaakt (pgb-plan). In het plan staat welke ondersteuning de inwoner vanuit het pgb wil betalen en door wie de ondersteuning wordt gegeven. Het plan moet goedgekeurd zijn door de gemeente.
Het pgb wordt gebaseerd op een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het product zijn (kostprijs). Hiervoor moet de inwoner veilige, doeltreffende, doelmatige en kwalitatief goede ondersteuning kunnen inkopen.
De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximumbedrag per voorziening. Dat is het laagste bedrag dat de gemeente zou betalen voor de ondersteuning die nodig is (ondersteuning in natura-tarief). De kostprijs van ondersteuning in natura wordt bepaald door de (regionale) inkoop (niet zijnde trajectprijzen). Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet.
Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met onderhouds- en verzekeringskosten.
Als ondersteuning wordt gegeven door iemand uit het sociale netwerk of door een niet-professionele hulpverlener, dan is het pgb minimaal het wettelijk minimumuurloon, inclusief vakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek en maximaal €20,- per gewerkt uur. Bij het bepalen van de hoogte van het pgb betrekt de gemeente de persoonlijke situatie van de inwoner en de werkervaring en deskundigheid van de hulpverlener.
Hoofdstuk 8.
Artikel 8.3.4
Hoogte en tarief pgb
Onderdeel van Verordening sociaal domein Olst-Wijhe versie mei 2022