2.1.1.1 Aanspraak op verblijf en zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz)
Een maatwerkvoorziening voor begeleiding hoeft niet verstrekt te worden als een inwoner een Wlz-indicatie heeft. Dit geldt ook als een inwoner deze indicatie nog niet heeft en weigert mee te werken bij het aanvragen van deze indicatie, terwijl hij daar mogelijk wel recht op heeft.
De afbakening met de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) is wettelijk geregeld in de Wmo 2015. Wanneer een cliënt een Wlz-indicatie voor verblijf in een instelling heeft of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt deze indicatie zou kunnen krijgen, verstrekt het college geen maatwerkvoorziening. Het college moet wel goed kunnen motiveren dat zij denkt dat de cliënt een indicatie op grond van de Wlz zou kunnen krijgen. Bij dit vermoeden neemt het college contact op met het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) en legt hen de situatie van de cliënt anoniem voor. Het CIZ maakt dan een inschatting of deze situatie mogelijk reden is voor een Wlz-indicatie. Wanneer het CIZ denkt dat er inderdaad reden is voor een Wlz-indicatie heeft het college voldoende reden om aan te nemen dat de cliënt aanspraak kan maken op deze Wlz-indicatie.
Het college kan wel een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo verstrekken als overbrugging tot de Wlz-indicatie ingaat. Het aanvragen van een Wlz-indicatie kan namelijk enige tijd duren. Daarom kan het college voor een tijdelijke oplossing zorgen door een korte indicatie af te geven.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1.1
Wet langdurige zorg - Wmo
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2022