Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.1

Keuze voor gebiedsspecifiek beleid

Onderdeel van Nota Bodembeheer Gemeente Haarlemmermeer 2022

Het Besluit bodemkwaliteit biedt gemeenten de ruimte af te wijken van het generieke – landelijke – beleid om gebiedsspecifiek maatwerk te ontwikkelen in situaties die daarom vragen. Het gebiedsspecifiek beleid in de gemeente Haarlemmermeer gaat uit van het - waar nodig - beschermen van de bodemkwaliteit en het - waar mogelijk - juist verruimen van de gebruiksmogelijkheden. In de beleidsvorming over gebiedsspecifiek maatwerk kwamen de volgende behoeften naar voren: Eenduidig beleid, zo eenvoudig mogelijk, uitlegbaar en werkbaar, met duidelijke spelregels; Het beleid moet waar mogelijk faciliterend zijn voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk; Deregulering en vermindering van de lasten voor bedrijven en burgers; Vrijstelling van fysiek bodemonderzoek waar mogelijk en verantwoord; Mogelijkheden bieden voor hergebruik (zonder onderzoek) van licht verontreinigde grond, waardoor veel geld wordt bespaard op onnodig onderzoek en transport; Vrijkomende, toepasbare grond en baggerspecie moet in principe binnen het beheergebied kunnen worden afgezet. Uitgaande van het standaard stoffenpakket voldoet het overgrote deel van de bodem van Haarlemmermeer aan de Achtergrondwaarde. Wanneer de grond verdacht is op het voorkomen van een of meer stoffen die niet in het standaard stoffenpakket zijn opgenomen, is aanvullend onderzoek naar de betreffende stof(fen) nodig als aanvulling op de toepassing van grond middels de bodemkwaliteitskaart. In de Haarlemmermeer zijn nog veel akkerbouwgronden aanwezig. Zoals hierboven al genoemd zijn deze gronden verdacht op het voorkomen van OCB’s. Ook is diffuus PFOS en PFOA aanwezig (stoffen behorende tot de PFAS-groep). Met generiek beleid kan de beoogde doelstelling (namelijk binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit toepassen van gebiedseigen grond) niet worden bereikt. Om een werkzame situatie te bereiken is voor een aantal gebieden waar veel grondverzet verwacht wordt en waar stoffen anders dan die uit het standaardpakket bekend zijn (of verwacht worden) gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Het gebiedsspecifieke beleid van de gemeente Haarlemmermeer is op enkele punten strenger dan het generieke beleid, in deze situaties ligt de nadruk op het zorgvuldig omgaan met en het beschermen van de gevoelige bodemfuncties. Strenger – op gevoelige bodemfuncties Op gevoelige functies (natuur, landbouw, moestuin/volkstuin) is de toepassingseis en de kwaliteit van de aanvulgrond/leeflaag altijd Achtergrondwaarde (AW); Op bodemfuncties met kans op humane blootstelling aan lood in de bodem (wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen) en waar grond met de kwaliteit Wonen volgens de regels mag worden toegepast, mits het loodgehalte maximaal 100 mg/kg bedraagt;1Deze loodnorm komt voort uit de Toetsingsregel Achtergrondwaarde (Regeling bodemkwaliteit, art 4.2.2.). Volgens die regel behoudt grond de formele kwaliteit van Achtergrondwaarde als hoogstens 2 stoffen verhoogde gehalten laten zien (bij meting van 7-15 stoffen). De verhoging mag in dat geval maximaal 2x de Achtergrondwaarde (voor lood is dat 50 mg/kg) voor die stof bedragen. Het maximum voor lood is in dit geval dus 2 x 50 = 100 mg/kg grond. Voor asbest geldt een ‘nulnorm’ bij het toepassen van grond op locaties met een gevoelige functie en/of met veel bodemcontact (kinderspeelplaatsen, moes- en volkstuinen): asbest mag analytisch niet aantoonbaar in de grond aanwezig zijn (dit moet met onderzoek zijn aangetoond); Strenger – bodemvreemd materiaal Bij toepassen van grond/baggerspecie wordt een beperking gesteld aan de hoeveelheid bodemvreemd materiaal en materiaal dat op zichzelf beschouwd niet in aanmerking zou komen als bouwstof. Toe te passen grond/baggerspecie mag niet meer dan 5 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal bevatten voor zover het steenachtig materiaal of hout2Het betreft hier hout in een vorm die niet van nature voorkomt in de bodem. betreft (bakstenen, puin enzovoort). Overige bodemvreemde materialen (dus anders dan steenachtig materiaal of hout), zoals bijvoorbeeld plastic en piepschuim, mag alleen sporadisch voorkomen als dat al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was, voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevraagd dat het uit de grond of baggerspecie wordt verwijderd voordat het wordt toegepast. Hiermee wordt bijmenging bedoeld die voor de ontgraving al in (water)bodem aanwezig was en niet door transport, vermenging, samenvoeging of anderszins aan de grond of baggerspecie is toegevoegd. Dit laatste is uiteraard niet toegestaan. Ruimer – op minder gevoelige bodemfuncties en ter vermindering regeldruk Het is uit financieel oogpunt niet haalbaar om voor de realisatie van grote projecten zeer grote hoeveelheden schone (AW)grond aan te kopen. De aanleg van deze projecten (waarbij zeer veel grond nodig is) zou wel te realiseren zijn als grond met slechtere kwaliteit zou kunnen worden toegepast. Toepassen van grond met een slechtere kwaliteit dan de onderliggende bodem is alleen mogelijk binnen het gebiedsspecifieke kader en met gebiedseigen grond. Op deze manier wordt het ‘standstill-principe’ gewaarborgd. Ook in andere situaties, wanneer sprake is van minder kwetsbare bodemfuncties, maar ook omdat er behoefte bestaat om te vereenvoudigen, kan het gebiedsspecifieke beleid juist verruimen: Een vereenvoudigd vooronderzoek, de zogeheten ‘puntbronnencheck’, bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart, dient alleen om vast te stellen of vrijkomende grond niet afkomstig is uit een gebied met een brongerelateerde verontreiniging; Het baggerbeleid biedt ruimere verspreidingsmogelijkheden; Binnen de zone Schiphol Trade Park (zone 1A) is hergebruik van grond zonder onderzoek op basis van de bodemkwaliteitskaart toegestaan. De in zone 1A toe te passen grond afkomstig van buiten de zone moet op basis van het standaard stoffenpakket voldoen aan de Achtergrondwaarde, maar mag OCB’s bevatten tot maximaal klasse Industrie (conform de in zone 1A gemeten OCB-gehalten), mits deze grond uit het beheergebied afkomstig is; Binnen de zone PARK21 (zone 1B) gelden soepeler eisen voor het toepassen van gebiedseigen grond, waarvan de kwaliteit slechter is dan de ontvangende bodem.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel