Naar hoofdinhoud
Het college kan een uitstroompremie toekennen aan de inwoner met een langdurig minimuminkomen die voor een periode van ten minste drie maanden is uitgestroomd naar betaald werk. Onder een inwoner als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: de uitkeringsgerechtigde die direct voorafgaand aan de werkaanvaarding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 36 maanden recht had op een uitkering ingevolge de PW, IOAW of IOAZ; de niet-uitkeringsgerechtigde die het jaar voorafgaand aan de werkaanvaarding een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen. Onder uitstroom naar betaald werk wordt, voor de toepassing van dit artikel, verstaan: het door werkaanvaarding verkrijgen van een inkomen hoger dan de bijstandsnorm. De hoogte van de uitstroompremie bedraagt: € 350,- voor een alleenstaande; € 450,- voor een alleenstaande ouder; € 500,- voor gehuwden. Mits aan de voorwaarden is voldaan, wordt de uitstroompremie toegekend: aan de voormalig uitkeringsgerechtigde: ambtshalve drie maanden na de werkaanvaarding; aan de niet uitkeringsgerechtigde: op aanvraag. De aanvraag wordt vanaf de vierde maand, maar uiterlijk vóór de zevende maand na werkaanvaarding ingediend. Geen recht op de uitstroompremie bestaat als: de inwoner binnen een periode van 12 maanden voorafgaand aan de uitstroom al een uitstroompremie heeft ontvangen; de uitkeringsgerechtigde de inlichtingenplicht heeft geschonden met betrekking tot de werkaanvaarding of de daaruit ontvangen inkomsten.

Rechtspraak bij dit artikel