Naar hoofdinhoud

Artikel 3.7

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Gemeente Epe 2022

Indien door een verwijtbare gedraging eerder, langer of voor een hoger bedrag een beroep op bijstand wordt gedaan, wordt een maatregel opgelegd wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan. Voor het vaststellen van de maatregel worden de hoogte en de duur van de financiële benadeling in aanmerking genomen. De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt vastgesteld op: a. 10% bij een financiële benadeling tot 50% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; b. 30% bij een financiële benadeling van 50% tot 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; 100% bij een financiële benadeling vanaf 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op: a. een maand bij een benadelingsperiode tot drie maanden; b. Twee maanden bij een benadelingsperiode van drie tot zes maanden; c. Drie maanden bij een benadelingsperiode van zes maanden of langer. Indien de hoogte van de financiële benadeling niet kan worden vastgesteld, geldt als uitgangspunt een maatregel van 30% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Indien de benadelingsperiode niet kan worden vastgesteld wordt de maatregel in beginsel opgelegd voor de duur van een maand. Indien door een verwijtbare gedraging eerder, langer, of voor een hoger bedrag een beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan, kan de bijzondere bijstand worden verlaagd. De verlaging bedraagt maximaal een bedrag waarvoor als gevolg van de verwijtbare gedraging een (hoger)beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan. In geval van periodieke bijzondere bijstand wordt de duur van de maatregel vastgesteld met toepassing van het vierde lid.

Rechtspraak bij dit artikel