Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Uitgangspunten

Onderdeel van Beleidsregels “artikel 13b Opiumwet” Renswoude

In dit hoofdstuk worden enkele uitgangspunten beschreven die worden gehanteerd. Op grond van artikel 2 en 3 Opiumwet is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs), dan wel aangewezen op grond van artikel 3a lid 5 Opiumwet, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren, aanwezig te hebben en te vervaardigen. Handelshoeveelheid Voor de toepassing van bestuursdwang in het kader van artikel 13b Opiumwet moet sprake zijn van verkoop, aflevering, verstrekking of aanwezigheid daartoe van een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid. Ook het voorhanden hebben van een voorwerp en/of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3⁰, of artikel 11a van de Opiumwet creëert de bevoegdheid voor toepassing van bestuursdwang. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de zinsnede ‘daartoe aanwezig is’, in artikel 13b, lid 1 Opiumwet, zo moet worden uitgelegd dat de burgemeester bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, indien in een pand een handelshoeveelheid drugs aanwezig is. Bij deze handelshoeveelheid, de overschrijding van de hoeveelheid die bestemd is voor eigen gebruik, gelden de volgende uitgangspunten1o.a. uitspraak van 28 augustus 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:2912): Aangenomen mag worden dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Aangenomen mag worden dat er van handel sprake is. Daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking hoeft niet aangetoond te worden. Het pand vervult daarmee een rol binnen de keten van drugshandel. Bij het vaststellen van een handelshoeveelheid wordt aangesloten bij de ‘Aanwijzing Opiumwet’, en dus bij de justitiële gedoogregels. Daarmee zijn de bestuurlijke en strafrechtelijke regels met elkaar in overeenstemming. Harddrugs Betreft alle middelen die vermeld staan op lijst I behorend bij de Opiumwet. In de ‘Aanwijzing Opiumwet’ wordt met betrekking tot harddrugs onder een gebruikershoeveelheid verstaan: een hoeveelheid/dosis die doorgaans wordt aangehouden als gebruikershoeveelheid. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld één bolletje, één ampul, één wikkel, één pil/tablet. Het gaat in elk geval om een aangetroffen hoeveelheid van maximaal 0,5 gram. Voor wat betreft GHB wordt een consumptie-eenheid aangehouden van 5 ml. Grotere hoeveelheden dan de genoemde hoeveelheden, worden aangemerkt als een handelsvoorraad. Softdrugs Betreft alle middelen die vermeld staan op lijst II behorend bij de Opiumwet. Met betrekking tot hennep wordt in de ‘Aanwijzing Opiumwet’ onder een handelsvoorraad verstaan een hoeveelheid van meer dan 5 gram. Verkoop De in de Opiumwet genoemde verkoop betreft het totaal aan handelingen dat rechtstreeks tot de overdracht van het verkochte leidt2 o.a. uitspraak van 12 april 2017 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2017:993). Ook voorbereiding, zoals het maken van afspraken om drugs te verkopen tussen leverancier en afnemer, al dan niet via een tussenpersoon wordt hieronder verstaan. Dit past ook in de lijn dat handel of daadwerkelijke verkoop niet hoeft te worden aangetoond. Sluitingsbevoegdheid bij voorbereidingshandelingen Wat betreft de sluitingsbevoegdheid op grond van voorbereidingshandelingen (opgenomen in de Opiumwet per 1 januari 2019) heeft de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester alleen betrekking op de handelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a en 11a Opiumwet. Deze bepalingen vereisen dat degene die een voorwerp of stof in een woning of lokaal of daarbij behorend erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Uit de Memorie van Toelichting (MvT, kamerstuk 34 763, nr. 3) blijkt dat de situatie van dien aard moet zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. Dit vergt een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de aard en hoeveelheid van de aangetroffen stof of uit de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie of een opsporingsonderzoek. Alleen het in een woning of lokaal of daarbij behorend erf voorhanden hebben van de genoemde voorwerpen of stoffen, verschaffen de bevoegdheid aan de burgemeester om over te gaan tot sluiting. Ook kan het zijn dat dan op grond van andere bevoegdheden wel kan worden opgetreden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel