Op grond van artikel 1:8 APV kan een standplaatsvergunning door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd in het belang van:
de openbare orde;
de openbare veiligheid;
de volksgezondheid;
de bescherming van het milieu.
Door het innemen van de standplaats mogen geen wanordelijkheden ontstaan. De producten die worden verkocht, de kraam/wagen en de verkoopwijze mogen niet aanstootgevend zijn. In het belang van sociale veiligheid moet de ruimte, waar de standplaats wordt ingenomen, open en controleerbaar zijn. Vanzelfsprekend mag de verkeersveiligheid op geen enkele wijze worden aangetast. Door het innemen van de standplaats mogen de hulpdiensten niet worden gehinderd.
Een voorbeeld van ongewenste verkeersbewegingen is het blokkeren van looproutes en het foutparkeren van voertuigen. De standplaats en het verkopen van de producten mogen niet leiden tot reuk- en stankoverlast of vervuiling van de omgeving. Dit voor zover andere wet- en regelgeving, of aan een vergunning verbonden voorschriften hier niet in kunnen voorzien.
Op grond van artikel 5:18,lid 2 van de APV 2010 kan een standplaatsvergunning eveneens geweigerd worden indien:
als de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;
vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.
Een vergunning kan niet geweigerd worden op een andere grond dan de grondslag van het vergunningstelsel. Dit zou immers in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.5
Weigering van vergunning
Onderdeel van Beleidsnotitie standplaatsen Gemeente Heeze-Leende