Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Uitgangspunten beleidskader afsplitsing (zie schema in bijlage)

Onderdeel van Beleidskader afsplitsen bedrijfswoningen buitengebied gemeente Cranendonck

Het beleidskader voor afsplitsing maakt onderscheid in locaties met de wens tot afsplitsing van: bedrijfswoningen bij agrarische bedrijven en bedrijfswoningen bij andere functies/ niet agrarische bedrijven. Uitgangspunt hiervoor is de actuele planologische situatie van de locatie, dus de woning en de bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen binnen hetzelfde bestemmingsvlak. Bedrijfswoningen bij andere functies/ niet agrarische bedrijven Bij het afsplitsen van bedrijfswoningen bij niet agrarische bedrijven is het belang van het behoud van de primaire (agrarische) sector niet direct aan de orde. Veel van deze locaties zijn voormalige agrarische bedrijfslocaties waar de transitie, soms in het verre verleden, al heeft plaatsgevonden. De noodzaak van een bedrijfswoning voor de bedrijfsvoering is in veel gevallen niet (meer) aan de orde. Voor deze locaties geldt een 'ja-mits', als de afsplitsing voldoende bijdraagt aan de kwaliteit van ons buitengebied. Om dit te beoordelen wordt het afwegingskader van het Ontwikkelperspectief gebruikt. Tevens moet aan de randvoorwaarden worden voldaan zoals beschreven onder 5. Bedrijfswoningen bij agrarische bedrijven De gemeente heeft een positieve grondhouding bij het beoordelen van vraagstukken voor de afsplitsing van bedrijfswoningen bij agrarische locaties. Daarbij wordt de mogelijkheid voor het afsplitsen van de bedrijfswoning afgewogen tegen het belang van het behoud van een agrarische locatie (als geheel) voor de sector. Tweede bedrijfswoning: Op locaties waar een agrarisch bedrijf actief is kan de bedrijfswoning in principe alleen worden afgesplitst als dit een tweede bedrijfswoning is. Het afsplitsen van de tweede bedrijfswoning heeft namelijk geen consequenties voor het voortbestaan van de agrarische locatie. Afsplitsing kan, als dit ook milieuhygiënisch mogelijk is, worden toegestaan, mits wordt voldaan aan de randvoorwaarden zoals beschreven onder 5. Indien de afsplitsing van de tweede bedrijfswoning milieuhygiënisch niet mogelijk is, kan het instrument 'plattelandswoning' worden ingezet. Zie hiervoor 'Inzet instrument plattelandswoning'. Eerste bedrijfswoning: Voor het afsplitsen van de eerste agrarische bedrijfswoning is geen eenduidige lijn te trekken. Er zijn per locatie meerdere afwegingen aan de orde die bij een beslissing hierover moeten worden meegewogen. De belangrijkste afwegingen zijn: Is duurzame voortzetting van een agrarisch bedrijf mogelijk: geen medewerking verlenen afsplitsing. Behoud van een dergelijke locatie voor een gezonde sector is van groot belang. Ondanks dat de noodzaak om bij het bedrijf te wonen niet altijd meer aanwezig is, is voor het behoud van een gezonde sector dit wel een noodzakelijk vereiste. We voorkomen daarmee het toevoegen van extra (milieu)gevoelige functies in het buitengebied. Voor de situaties op duurzame agrarische locaties waar splitsing privaatrechtelijk al heeft plaatsgevonden véér 31-12-2019, wordt éénmalig een uitzondering gemaakt. Als een burgerwoning op een dergelijke locatie véér deze datum privaatrechtelijk is gerealiseerd of de wens hiertoe véér deze datum bij de gemeente kenbaar is gemaakt, kan ten behoeve van het oorspronkelijke bedrijfshoofd of burgerbewoning door derden het instrument 'plattelandswoning' worden ingezet. Is duurzame voortzetting van een agrarisch bedrijf niet mogelijk: medewerking afsplitsing afweegbaar. Afsplitsing is mogelijk als: behoud van een dergelijke locatie voor agrarisch gebruik voor de toekomst vanwege wet — en regelgeving niet mogelijk is; de locatie is gelegen in de directe nabijheid van meerdere burgerwoningen en/of Natura 2000 gebied; is meegedaan aan een beëindigingsregeling voor veehouderij. De transitie van het agrarisch bedrijf is dan onvermijdelijk. Er is dan sprake van een 'transitielocatie'. Het faciliteren van de mogelijkheid tot afsplitsen is dan denkbaar omdat heroverweging van het gebruik van de locatie moet plaatsvinden. Transformatie op deze locaties moet aansluiten bij het Ontwikkelperspectief en voldoen aan de randvoorwaarden zoals beschreven onder 5. Inzet instrument 'plattelandswoning' Op 1 januari 2013 is de Wet plattelandswoning in werking getreden. Deze wet, of eigenlijk een wijziging van de Wabo en een aantal aanverwante milieuwetten en regelingen, maakt het mogelijk voormalige agrarische bedrijfswoningen door derden (burgers), zonder binding met het bedrijf, te laten bewonen. Bij het toepassen van de regeling "plattelandswoning" blijft dan ook de voormalige agrarische bedrijfswoning planologisch onderdeel van de agrarische bestemming/agrarisch bouwblok. Ook regelt de wet dat het planologisch regime en niet langer het feitelijk gebruik bepalend is voor de bescherming van een gebouw of functie tegen negatieve milieueffecten. Hierdoor wordt de woning niet beschermd tegen (negatieve) milieugevolgen van het agrarisch bedrijf dat binnen hetzelfde bouwblok ligt. Aan de andere kant wordt het agrarisch bedrijf of agrarische bedrijven in de directe nabijheid niet belemmerd door de aanwezigheid van de woning. De Wet plattelandswoning moet daarom gezien worden als een middel om bestaande knelpuntsituaties op te lossen. Het instrument zetten we daarom in op locaties bij actieve agrarische bedrijven waar sprake is van afsplitsing: van een tweede agrarische bedriifswoning als omzetting van deze tweede bedrijfswoning naar een reguliere woonbestemming milieuhygiënisch niet mogelijk is. op duurzame agrarische locaties waar splitsing privaatrechteliik al heeft plaatsgevonden véér 31-12-2019 of waar de wens hiertoe véér deze datum aan de gemeente kenbaar is gemaakt. Het betreft de locaties waar duurzame voortzetting van een agrarisch bedrijf mogelijk is en het wenselijk is de bedrijfswoning voor de sector te behouden. De plattelandswoning wordt dan toegekend om bewoning van de bedrijfswoning door de 'rustende boer' of door derden (burgers) mogelijk te maken. Op termijn kan de voormalige bedrijfswoning (de plattelandswoning) dan weer worden gebruikt als reguliere bedrijfswoning.

Rechtspraak bij dit artikel