Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 3

Artikel 3.3

Waarom schuilhutten toestaan?

Onderdeel van Beleidsregels Schuilhutten en Paardenbakken

De vraag naar schuilhutten is groot. De gemeente Cranendonck is een landelijke gemeente en kenmerkt zich door het agrarische landschap. Een belangrijk onderdeel van dit agrarische landschap is het grazende vee wat over de gehele gemeente sterk aanwezig is. Het beperken van de mogelijkheden van de agrariër via de provinciale verordening ruimte werkt het in de hand dat het buitengebied meer en meer aangewend wordt voor andersoortig gebruik. Een vermeerdering van het hobbymatig houden van dieren vloeit hieruit voort. Het niet toestaan van schuilhutten kan tot gevolg hebben dat het vee grotendeels uit het landschap verdwijnt. Een algemeen verbod op schuilhutten zorgt ervoor dat het buitengebied gevrijwaard blijft van bebouwing waardoor verrommeling tegengegaan wordt. Echter bij een verbod zullen burgers toch op zoek gaan naar andere mogelijkheden om een schuilgelegenheid te creëren voor hun dieren. Gevolgen hiervan kunnen zijn: burgers gaan hun dieren thuis, in de dicht bevolkte kernen, in te kleine tuinen en schuurtjes houden. Dit veroorzaakt stank- en geluidsoverlast voor de omgeving en de huisvestiging voor de dieren in het kader van dierenwelzijn is verre van optimaal; burgers gaan op eigen initiatief toch een schuilhut in het buitengebied plaatsen. Omdat het in de lijn der verwachting ligt dat handhavend opgetreden zal worden zullen deze schuilhutten met minimaal materiaal zoals MDF platen, stukken zeil/ plastic etc. opgebouwd worden. Dit zorgt voor ernstige verstoring van het landschap. De gemeente zal hieraan prioriteit moeten geven en moeten handhaven op alle schuilhutten in het buitengebied. Een verbod op schuilhutten betekent dat het hobbymatig houden van dieren in het buitengebied nagenoeg niet mogelijk is. Hobbydieren verdwijnen uit het buitengebied waardoor weilandjes leeg komen te staan en braak komen te liggen. Indien er dan toch sprake is van het houden van hobbydieren zonder schuilhut, kan of zal het dierenwelzijn in het geding komen. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD) stelt dat de houder van het dier eerstverantwoordelijke is wanneer het gaat om dierenwelzijn. De GWWD en het besluit Welzijn productiedieren bieden vervolgens de mogelijkheid om op te treden tegen houders die geen maatregelen treffen. Artikel 3, derde lid van het besluit Welzijn productiedieren bepaalt dat een dier dat niet in een gebouw gehouden wordt, moet worden beschermd tegen slechte weersomstandigheden. In het algemeen moeten dieren op grond van artikel 36 en 37 van de GWWD beschermd worden tegen extreme weersomstandigheden. Bovenstaande zorgt dus voor tegenstrijdigheid van de Gezondheids- en welzijnswet met de provinciale en gemeentelijke beleidsregels: een dierenhouder mag geen schuilhut bouwen maar kan hiervoor vervolgens wel vervolgd worden in het kader van dierenwelzijn! Conclusie De vraag naar schuilhutten is groot. Het niet toestaan leidt tot problemen in de kernen en zorgt voor een grote handhavingstaak bij de gemeente. Daarnaast verplicht de wet dat een dierenhouder voor een goed onderkomen moet zorgen. Echter zonder voorwaarden bestaat het risico van verrommeling en verstening van het buitengebied. Derhalve dient onderhavig beleid deze vier aspecten op de juiste wijze te koppelen aan voorwaarden en het beeldkwaliteitplan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel