Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 6

Artikel 6.2

Voorwaarden van locatie op perceel

Onderdeel van Beleidsregels Schuilhutten en Paardenbakken

Wat betreft de situering dient de locatie van de schuilhut te worden gekozen die landschappelijk het beste tot zijn recht komt. Dit betekent dat een schuilhut vaak aan de rand van een perceel geplaatst moet worden, aansluitend op aanwezige bebouwing, bomen en struiken. Zichtlijnen blijven dan zoveel mogelijk in tact. De schuilhut moet aan de rand van het perceel geplaatst worden. De minimale afstand tot de perceelgrenzen bedraagt 3 meter. De schuilhut moet aansluiten bij omliggende bebouwing welke aan de straatzijde gelegen is. Hierdoor wordt de bebouwing geconcentreerd aan de straat en wordt verrommeling tegengegaan. De schuilhut moet op een afstand van maximaal 50 meter van de bebouwing liggen. Wordt deze afstand groter dan kan niet meer gesproken worden van een ruimtelijke component. Indien er niet aangesloten kan worden bij omliggende bebouwing maar er op of naast het perceel grote groenelementen (bossages, bomen, struiken houtwallen) aanwezig zijn, waardoor de schuilhut hierachter verscholen raakt, moet de schuilhut hierop aansluiten met een maximale afstand van 3 meter. Indien aan de randen van het perceel geen groenelementen aanwezig zijn, dient de schuilhut in een hoek van het perceel geplaatst te worden, waarbij de afstand tot beide perceelsgrenzen minimaal 3 meter bedraagt. Daarnaast dienen rondom de bebouwing groenelementen geplaatst te worden, zodat landschappelijke inpassing alsnog geschiedt. De schuilhut mag nooit midden op het perceel geplaatst worden, tenzij hier zoveel groenelementen aanwezig zijn dat dit de beste locatie is voor de schuilhut. Indien weilanden van verschillende eigenaren aan elkaar grenzen moeten de schuilhutten geclusterd worden of in eenzelfde lijnstructuur gepositioneerd te worden.

Rechtspraak bij dit artikel