Naar hoofdinhoud
1.. Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste 10 jaar. 2.. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats. 3.. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld. 4.. Het maandbedrag van de aflossing wordt vastgesteld op minimaal 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3 Participatiewet, vermeerderd met 50% van het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, overeenkomstig de Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ. 5.. Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt het maandbedrag van de aflossing, zo nodig tussentijds, op een lager dan wel hoger bedrag vastgesteld. 6.. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoel in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. 7.. Als belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van 10 jaar schuld nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Rechtspraak bij dit artikel