Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.4

Proportionaliteit

Onderdeel van Beleidskader toezicht en handhaving Wet kinderopvang Neder-Betuwe 2022

De Beleidsregels zijn het uitgangspunt. Proportionaliteit is daarbij van belang. Hierdoor zijn niet automatisch alle genoemde stappen onverkort van toepassing op een geconstateerde overtreding. Telkens weegt het college af of toepassing in dit geval proportioneel is. Het college kan in alle gevallen gemotiveerd afwijken van het GGD-advies. Goed handhaven betekent: oog hebben voor de specifieke situatie, gezond verstand gebruiken en praktijkervaring benutten. Individuele omstandigheden - verzwarend of verzachtend – kunnen van invloed zijn op het wel of juist niet opleggen van een maatregel. Niet alle situaties zijn onderling vergelijkbaar en soms schieten regels en richtlijnen tekort. Alles overziend volgt er wel of geen actie bij een bepaalde overtreding. Dat wordt vervolgens goed toegelicht in het individuele handhavingsbesluit. Goed gemotiveerd maatwerk – zoals weergegeven in het individuele besluit - en beleid vullen elkaar in de praktijk aan. Dat doet recht aan het feit dat niet alle situaties ‘standaard’ zijn. Handhavingsafwegingen Hieronder staan afwegingen die van invloed kunnen zijn op het wel of juist niet opleggen van een maatregel. Wat is de ernst van de overtreding? Als een overtreding een laag risico heeft met weinig consequenties voor de directe veiligheid en gezondheid, dan wordt er doorgaans gekozen voor een ‘lichte’ handhavingsactie. Concreet betekent dat: een handhavingsbesluit met een lange hersteltermijn en geen of een lage boete. Het omgekeerde geldt voor grote risico’s en herhaalde overtredingen. In het afwegingoverzicht staan de prioriteiten en bedragen per overtreding vermeld. Nota bene: een grote hoeveelheid kleine overtredingen tegelijk zegt ook iets over de kwaliteit van de kinderopvangvoorziening en kan leiden tot zwaardere handhaving. Wat is de aard van de overtreding? Er wordt onderscheid gemaakt tussen overtredingen die gelet op hun aard gemakkelijk op korte termijn herhaald kunnen worden en overtredingen die na herstel voorlopig ook blijvend hersteld zijn. Bij overtredingen met een herhaalkans op korte termijn moet gedacht worden aan bijvoorbeeld de dagelijkse inzet van beroepskrachten. Bij een dergelijke overtreding zal in de regel gekozen worden voor het opleggen van een last onder dwangsom. Een opgelegde dwangsom heeft namelijk een voortdurende werking en biedt de mogelijkheid om meerdere malen te onderzoeken of de overtreding blijvend verholpen is. Als de overtreding na herstel geen herhaalkans heeft op korte termijn, zoals bijvoorbeeld bij een pedagogisch beleidsplan, is een aanwijzing in eerste instantie een geschiktere maatregel. Immers als het product eenmaal aangepast is, is de overtreding meteen blijvend verholpen en is er (voorlopig) geen kans meer op een herhaalde overtreding. Hoeveel overtredingen zijn er? Als er erg veel overtredingen tegelijk zijn, dan wordt de afweging gemaakt of er alles overziend nog sprake is van verantwoorde kinderopvang. Als dat niet het geval is, dan zal de handhaving sneller richting een (tijdelijk) exploitatieverbod gaan. Veel overtredingen ineens is mede bepalend voor de handhavingsroute en het afstemmen van hersteltermijnen aan de situatie. Heeft de overtreding eenfinancieelraakvlak? Het inzetten van te weinig personeel bijvoorbeeld heeft een financiële consequentie voor de houder. Een goed gedoseerde boete en/of dwangsom is daarop afgestemd, omdat er voor de houder dan eerder een prikkel ontstaat om daadwerkelijk over te gaan tot herstel van de kwaliteit. Betreft het een herhaalde overtreding? Als een soortgelijke overtreding binnen twee jaar meerdere keren wordt geconstateerd, leidt dit in de regel tot strengere handhaving dan bij de eerste constatering. Een boete of dwangsom wordt hoger of er wordt een boete en/of dwangsom opgelegd als dat eerder nog niet werd gedaan. Heeft de overtreding betrekking op een relatief nieuwvoorschrift? Welke kennis over het voorschrift mag verwacht worden? In principe wordt verwacht dat de houder bekend is met alle voorschriften. Maar het kan gebeuren dat een regel nog vrij nieuw is en nog moet ‘landen’ in de organisatie. Zoals met de invoering van de nieuwe kwaliteitseisen in 2018. In die gevallen – mits er geen ernstige risico’s ontstaan – zal in eerste instantie terughoudend worden gehandhaafd. Een aanwijzing met een redelijke hersteltermijn is in deze situatie een adequate maatregel. We vinden het redelijk dat een houder 3 maanden na invoering hoe dan ook bekend zou moeten zijn met een nieuw voorschrift. Dan geldt dit niet meer als een verzachtende omstandigheid. Is er herstelaanbodtoegepast door de toezichthouder? Indien er een herstelaanbod is toegepast, heeft houder de gelegenheid geboden gekregen om de geconstateerde overtreding te herstellen binnen het onderzoekstraject. Als blijkt dat houder niet op het herstelaanbod is ingegaan of dat de overtreding niet hersteld is binnen de gegeven termijn, is dat in principe een verzwarende omstandigheid voor het handhavingstraject. Hoogte van de boete Voor de hoogte van boetes zijn normbedragen opgesteld die zijn gebaseerd op landelijke richtlijnen (zie het afwegingsoverzicht). Een bestuurlijke boete mag zijn doel niet voorbij schieten. Zij is bedoeld om te corrigeren met een goed gedoseerde prikkel en niet om onevenredige financiële ‘schade’ toe te brengen. Proportionaliteit en een goede dosering zijn een belangrijk uitgangspunt bij handhaving. Afhankelijk van eventuele verzachtende omstandigheden kan er daarom een verlaging van het normbedrag van toepassing zijn. Het college kan een boete opleggen voor geconstateerde overtredingen, maar hoeft dat niet te doen. Voor de onderstaande overtredingen zal het college wel sneller overgaan tot het opleggen van een boete: overtredingen met de prioriteit ‘hoog’ zoals opgenomen in het afwegingsoverzicht in de bijlage; exploitatie zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders; niet onverwijld melden van een wijziging aan het college van burgemeester en wethouders van in het landelijk register kinderopvang opgenomen gegevens; overtreding van een norm zoals genoemd in het afwegingsoverzicht onder ‘overige overtredingen’. Verzachtende omstandigheden Wij verlagen de boete of leggen geen boete op indien de omstandigheden hier aanleiding toe geven. Hiervan kan sprake zijn onder andere bij: Bij het gedeeltelijk niet opvolgen van een aanwijzing; Overmacht als gevolg van Covid-19, of vergelijkbare situaties door een pandemie veroorzaakt, en er is geen sprake van onverantwoorde kinderopvang. Maatwerk bij voorschrift oudercommissie Op grond van de Wko moet de houder een oudercommissie instellen voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum met meer dan 50 kinderen of voor een gastouderbureau met meer dan 50 aangesloten gastouders. In de praktijk blijkt dat het voor houders lastig is om aan deze wettelijke verplichting te voldoen. Houders zijn afhankelijk van de bereidheid van de ouders om in een oudercommissie plaats te nemen. Als er geen oudercommissie is, toetst het college of de houder voldoende inspanning verricht heeft om een oudercommissie in te stellen. De houder kan hiervoor onderstaande instrumenten gebruiken: Flyer / poster: Houder maakt een flyer waarin het belang van de oudercommissie benadrukt wordt. Deze flyer wordt aan elke ouder uitgereikt. De poster wordt op duidelijk zichtbare plaatsen in het kindercentrum opgehangen. Nieuwsbrief: Houder plaatst in elke nieuwsbrief een oproep tot een deelname in de oudercommissie. Website: Een oproep tot deelname wordt op de website geplaatst. Aandacht voor de oudercommissie aantoonbaar opgenomen als onderdeel van de intakeprocedure. Aandacht voor de oudercommissie tijdens de jaarlijkse oudergesprekken (in groepsverband). De pedagogisch medewerkers zijn op de hoogte van het doel en het belang van de oudercommissie en kunnen ouders hierover informeren. De houder heeft een (uitgeschreven) uitnodigend en uitdagend ouderparticipatiebeleid, waarbij de mogelijkheid is opgenomen dat ouderparticipatie op de ouder afgestemd wordt. Ouderavonden: Tijdens de ouderavonden wordt extra stilgestaan bij het belang van een oudercommissie. De toezichthouder beschrijft de inspanningen die een houder heeft verricht om een oudercommissie in te stellen. Het college beoordeelt vervolgens of deze inspanningen voldoende zijn om beredeneerd niet te handhaven op dit voorschrift. Als er wel een oudercommissie is, moet die natuurlijk voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen.

Rechtspraak bij dit artikel