Naar hoofdinhoud
1.. In de volgende situaties wordt geen taaltoets bij de belanghebbende afgenomen: als uit de overgelegde documenten blijkt dat belanghebbende aan de taaleis voldoet conform artikel 4 en 5; als vastgesteld kan worden dat elke vorm van verwijtbaarheid om aan de taaleis te voldoen ontbreekt, zoals weergegeven in artikel 8; bij nieuwe aanvragen van cliënten die al eerder bijstand hebben ontvangen, geldt het volgende: als tijdens een vorige uitkeringsperiode al een toets is afgenomen en is vastgesteld dat belanghebbende de Nederlandse taal beheerst; als tijdens een vorige uitkeringsperiode al een toets is afgenomen en is vastgesteld dat belanghebbende de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, maar ook is vastgesteld dat door in de persoon gelegen factoren belanghebbende niet in staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden. als in een andere gemeente door belanghebbende een toets is afgelegd en waaruit blijkt dat hij de Nederlandse taal op referentieniveau 1F beheerst. Deze toetsresultaten kunnen worden overgenomen. als er sprake is van kortdurende bijstand. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij op handen zijnde emigratie of bij een ongeneeslijke terminale ziekte. als een vergunninghouder een bewijs van het volgen van een (leer)traject in het kader van de Wet Inburgering overlegt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel