Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.3

Toetsingscriteria artikel 5:2 VFL

Onderdeel van Beleidsregels uitritten en uitwegen

2.3.1 Indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht De aanleg van een uitweg kan de veiligheid van het verkeer op de weg nadelig beïnvloeden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het verkeer geremd wordt, de doorstroming, de parkeermogelijkheden of de vrije ruimte beperkt wordt. Om de veiligheid van de weg te waarborgen worden de volgende criteria aangehouden. Per woning is één uitweg toegestaan waarbij de beschikbare diepte op particulier terrein minimaal 5,00 meter dient te zijn. Dit omdat het op particulier terrein geparkeerde voertuig niet mag uitsteken op openbaar terrein en daardoor het verkeer (voetgangers, fietsers en gemotoriseerd verkeer) hindert of in gevaar brengt. De gemeente hanteert een standaardbreedte van maximaal 4,00 meter voor een uitrit bij woningen. Bij een dubbele uitrit bedraagt de standaardbreedte maximaal 7 meter. Van een dubbele uitrit is sprake als bewoners een uitrit delen (bijvoorbeeld bij een twee-onder-een-kap woning. Een uitrit verschaft toegang tot de zijtuin naast een woning. Daarbij dient de breedte van de oprit minimaal 3 meter te zijn. Een uitrit voor de voorgevel is niet toegestaan tenzij anders geregeld in het geldende bestemmingsplan. De gemeente hanteert een standaardbreedte van maximaal 8 meter voor uitwegen bij bedrijven met grote voertuigen. Het agrarisch materieel is de afgelopen jaren dusdanig breed geworden dat een smallere uitrit onvoldoende is. Voor vrachtverkeer geldt verder dat vanwege de lengte en de grote draaicirkel een smalle uitweg onwenselijk is. Bij bedrijven met een bedrijfsbestemming is één uitweg toegestaan. Bij grote bedrijfspercelen kunnen echter meerdere uitwegen toegestaan worden. Er kan gemiddeld een 8 meter brede uitweg toegestaan worden per 50 meter frontbreedte van het bedrijfsperceel. De onderlinge afstand tussen de diverse uitwegen van gemiddeld 8 meter breed bedraagt tenminste 50 meter. Voldoende afstand tussen uitwegen bevordert de verkeersveiligheid. Uitwegen moeten verder dan 5,00 meter van bijzondere gevaarpunten, zoals bochten van wegen, oversteekplaatsen of kruisingen, afliggen. Er worden geen uitritten aangelegd bij een verkeersdrempel, wegversmalling, kruispuntplateau of een parkeerplaats (zie ook onder 5). Het zicht vanaf de perceelsgrens op het verkeer (voetgangers, fietsers en gemotoriseerd verkeer) op de openbare weg maar ook vanaf de openbare weg moet zodanig zijn dat men de uitweg veilig kan gebruiken. Bij twijfel controleert de gemeente de zichtbaarheid. Denk bijvoorbeeld aan een onoverzichtelijke bocht, een bomenrij, hoge struiken of andere zicht belemmerende objecten. Ter plaatse van een bushalte is een uitweg niet toegestaan. Indien de uitweg aangelegd moet worden over een watergang of sloot waarop Keur van toepassing is dient een vergunning / toestemming van het waterschap te worden verkregen. De doorstroming van water mag niet belemmerd worden. 2.3.2 Indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats De aanleg van een uitweg mag niet ten koste gaan van aanwezige openbare parkeerplaatsen. Het vervallen van een parkeerplaats in de openbare ruimte gaat namelijk ten koste van het dubbelgebruik en bezoekers parkeren, waardoor de parkeerdruk in de omgeving vergroot wordt. Desondanks zijn er situaties denkbaar waarbij het noodzakelijk is om een uitweg te realiseren. Via onderstaande regeling wordt het mogelijk gemaakt om maatwerk te kunnen verlenen bij uitzonderlijke situaties. Algemeen principe is in elk geval dat bij het aanleggen van uitwegen voldoende ruimte moet overblijven voor het volgens de Crow-norm of in bestemmingsplan vastgelegde benodigde aantal parkeerplaatsen. Voor parkeerplaatsen bij winkels en bedrijven worden andere normen gehanteerd dan bij woningen. Indien de noodzaak voor het verdwijnen van een openbare parkeerplaats kan worden onderbouwd, is het mogelijk om maximaal één openbare parkeerplaats te laten vervallen. Indien een openbare parkeerplaats vervalt, dient de aanvrager dit op te vangen, door zijn/haar eigen voertuig op eigen particulier terrein te parkeren. Als door de aanleg van de uitweg de parkeerdruk in het gebied / straat te hoog wordt, wordt de melding geweigerd. Indien op eigen terrein voldoende ruimte is voor het creëren van parkeergelegenheid zonder dat dit direct grenst aan de openbare ruimte, dient dit op het eigen terrein gerealiseerd te worden. 2.3.3 Indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast De gemeentelijke groenvoorzieningen hebben vaak een afschermende functie en een hoge belevingswaarde. Het doorsnijden van gemeentelijke groenstroken wordt ongewenst geacht. Door versnippering van aaneensluitende plantsoenstroken wordt de afschermende functie teniet gedaan en de belevingswaarde van het groen verminderd. Voorts wordt de mogelijkheid tot een adequaat beheer van het groen beperkt. Per situatie wordt een afweging gemaakt. Om de bescherming van de groenvoorziening in de gemeente te waarborgen worden de volgende criteria aangehouden. Indien een aanvraag voor een uitweg wordt ingediend waarbij een openbare groenvoorziening wordt doorsneden en er een alternatief voor de uitweg beschikbaar is wordt de melding geweigerd. Bij openbaar groen dat onderdeel is van een groenstructuur of een speelvoorziening weegt een aantasting van dit groen extra zwaar. Deze groenvoorziening mag niet doorsneden worden door een uitweg. Waardevolle of beeld- of structuurbepalende groenvoorzieningen, met name bomen, worden niet verwijderd voor een uitweg. Een uitweg dient op minimaal 5,00 meter van de zijkant van de stam van een waardevolle boom te blijven. Voor meer informatie over waardevolle of beeld- of structuurbepalende groenvoorzieningen, zie de kaartbijlagen bij het Landschapsplan van de gemeente Bergen en het bestemmingsplan Buitengebied. Het zicht vanaf en op een uitweg moet voldoende zijn. Indien groenvoorzieningen het zicht belemmeren, kan het nodig zijn om te snoeien of de groenvoorzieningen te verwijderen. Voor het verwijderen van gemeentelijke groenvoorzieningen is instemming van de gemeente nodig. Als voor de aanleg van een uitweg een boom verwijderd moet worden, zal op basis van de VFL een omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd. De aanleg van de uitweg kan niet worden uitgevoerd als de aanvrager niet in het bezit is van de vereiste omgevingsvergunning onderdeel kap. Als er een nieuwe uitweg wordt aangelegd ter vervanging van een oude uitweg (maar op een andere plaats), dient de oude uitweg te worden verwijderd, waarna de weg en het openbaar groen ter plaatse van de opgeheven uitweg in de oorspronkelijke staat wordt hersteld. 2.3.4 Aanleg tweede uitweg Een uitweg zal altijd invloed hebben op de verkeersveiligheid en het aanzien van de weg. Des te meer uitwegen op een weg uitkomen, des te meer de verkeersveiligheid daar onder lijdt. Iedere uitweg geeft een mogelijk conflictpunt tussen 2 verkeersstromen. Daarom wordt er een maximaal aantal uitwegen per woon- of bedrijfsperceel gehanteerd. Het is verboden om een tweede uitweg aan te leggen indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Ook hiervoor geldt dat er soms sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Voor die situaties willen wij maatwerk kunnen verlenen. Daarom het volgende: er kan slechts medewerking worden verleend aan een tweede uitweg indien de noodzaak van een tweede uitweg onomstotelijk wordt aangetoond gelet op de bruikbaarheid van het perceel, en niet op onaanvaardbare wijze ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

Rechtspraak bij dit artikel