Indien een last onder dwangsom wordt opgelegd, wordt de hoogte van de dwangsom bepaald op € 20.000,- ineens te verbeuren, met een begunstigingstermijn van zes maanden na dagtekening van de last onder dwangsom. De gekozen hoogte van de dwangsom moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Hierbij is van belang dat van de dwangsom een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt nagekomen en verbeurte van de dwangsom wordt voorkomen. Het college stelt zich op het standpunt dat van dit bedrag een voldoende financiële prikkel uitgaat om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Gelet op jurisprudentie van de Afdeling staat dit bedrag in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom.5 ABRvS 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2298.
Bekend is dat niet recreatieve gebruikers van recreatieobjecten over het algemeen gezien weinig financiële draagkracht hebben. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat geen element dat meeweegt in de bepaling van de hoogte van de sanctie.
Gelet op het feit dat het voortraject ruim is, de begunstigingstermijn ruim is en gelet op het actieve aanbod vanuit de hulpverleningstak om een andere oplossing te zoeken voor het woonprobleem gaan wij er echter van uit dat vanuit de zijde van de gemeente er alles aan gedaan is om de overtreding, buiten daadwerkelijke inning van een dwangsom om, te doen stoppen. Wanneer de overtreding nog steeds niet is beëindigd in deze laatste fase van het traject gaan wij ervan uit dat de overtreder redelijkerwijs had kunnen weten dat het op een inning van een dwangsom (van een bepaalde hoogte) zou aankomen.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.6
Artikel 5.6.2
Sanctietoepassing – hoogte
Onderdeel van Handhavingsbeleid recreatieobjecten