Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.8

Artikel 3.8.1

criteria woonvoorzieningen

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almere 2022

1.. Woonvoorzieningen hebben tot doel beperkingen, die het normale gebruik van de woonruimte door de cliënt met een beperking in de weg staan, zoveel als mogelijk weg te nemen, zodat de woonruimte bereikbaar, toe- en doorgankelijk en bruikbaar is. Woonvoorzieningen kunnen bouwkundig, woontechnisch en overig van aard zijn. Uitzondering op normaal gebruik van de woonruimte is de inrichting van een uitraaskamer waarin een cliënt met beperkingen die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. 2.. Onder woonruimte wordt verstaan: a.. een woning inclusief onroerende aanhorigheden en voorzieningen met uitzondering van de tuin alsook kamers die zelfstandig verhuurd worden; b.. een woonwagen als bedoeld in de Woningwet; c.. een woonschip op een ligplaats, zijnde een woonschip en een ligplaats als bedoeld in de Huisvestingswet; d.. bij de woonruimte horen ook de toegang tot de woonruimte zelf, tot de tuin en tot het balkon, voor zover daarbij daadwerkelijk problemen worden ondervonden op het gebied van de toegankelijkheid. Reguliere parkeerplaatsen, stalling voor een vervoersvoorziening vallen echter niet onder het begrip 'woning', de toegang tot het trottoir evenmin. 3.. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening voor de eigen woonruimte in de gemeente Almere indien: a.. verhuizing niet mogelijk is of niet de goedkoopste adequate voorziening is (het zogenaamde primaat van verhuizen), én b.. deze een fysiek/psychisch, een chronisch psychisch of een psychosociale beperking heeft voor een periode langer dan zes maanden, én c.. er een rechtstreeks verband is tussen de ondervonden (naar objectieve maatstaf aanwezige) beperking, en één of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de betreffende woonruimte, én d.. de aanpassing van de woonruimte waar de cliënt het hoofdverblijf heeft, geschikt is om het hele jaar door te worden bewoond, én e.. de cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats heeft. 4.. In aanvulling op het derde lid onder e van dit artikel, geldt een uitzondering indien de woonruimte het ouderlijk huis betreft, van een cliënt die in een instelling verblijft, en die cliënt regelmatig in het ouderlijk huis op bezoek komt. In dat geval kan de ouderlijke woning bezoekbaar worden gemaakt, in die zin dat de entree, woonkamer in het ouderlijk huis, door de cliënt bereikt en gebruikt kunnen worden én toiletgang mogelijk wordt gemaakt als een andere maatwerkvoorziening(en) geen goedkoopste adequate oplossing biedt. 5.. Het college verstrekt geen woonvoorziening voor algemene ruimtes én de toegang daartoe van appartementencomplexen, verblijf in een hotel, pension, trekkerswoonwagen, tweede woning of andere niet voor permanente bewoning bedoelde verblijven, instellingen onder de Wet langdurige zorg of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg. Het college werkt in nadere regels het beleid uit ten aanzien van de basisvoorzieningen van bijzondere woonruimtes. 6.. Van het primaat van verhuizen als bedoeld in dit artikel lid drie onder a. kan worden afgeweken op één van de volgende gronden: a.. de verhuizing is vanuit maatschappelijke oogpunt onaanvaardbaar; b.. betaalbaarheid van de nieuwe woning; c.. de medisch aanvaardbare termijn van beschikbaarheid van de nieuwe woning; d.. een eventueel medische contra-indicatie. 7.. Bij de berekening van de kosten van een woonvoorziening, is het is het uitrustingsniveau van een sociale huurwoning bepalend. 8.. In aanvulling op artikel 3.2.2 lid 8 van deze verordening, werkt het college de afschrijvingstermijnen voor een aantal veel voorkomende woonvoorzieningen uit in nadere regels aan de hand van Beleidsboek Huurverhoging na woningverbetering versie juni 2018. 9.. Met in acht neming van lid 7 van dit artikel is de hoogte van een tegemoetkoming woonvoorziening, gelijk aan de prijzen zoals die zijn vermeld in de Prijzengids van het NIBUD zoals deze geldt in het jaar van de aanvraag, verminderd met: a.. 0% indien het te vervangen artikel jonger is dan twee jaar; b.. 25% indien het te vervangen artikel tussen de twee en vier jaar oud is; c.. 50% indien het te vervangen artikel tussen de vier en zes jaar oud is; d.. 75% indien het te vervangen artikel tussen de zes en acht jaar oud is. e.. is een artikel 8 jaar oud of ouder, geen vergoeding i.v.m. economische afschrijving.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel