Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.1

Artikel 5.1.2

Weigering van een pgb

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almere 2022

1.. Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget, hoger dan de kosten van de goedkoopste adequate maatwerkvoorziening in natura. 2.. Het college weigert een persoonsgebonden budget te verstrekken als het college in vijf voorgaande jaren een beslissing heeft herzien of ingetrokken omdat: a.. de cliënt of zijn vertegenwoordiger pgb-zaken opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b.. de cliënt of zijn vertegenwoordiger pgb-zaken niet heeft voldaan aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; c.. de cliënt of zijn vertegenwoordiger pgb-zaken, het persoonsgebonden budget niet óf voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 3.. Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget als: a.. er sprake is van een maatwerkvoorziening in een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet; b.. de maatwerkvoorziening die de cliënt met het persoonsgebonden budget wenst in te kopen naar het oordeel van het college niet of niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het beoogde resultaat; c.. onafhankelijk advies heeft uitgewezen dat de verantwoorde ondersteuning of een verantwoord goed niet is geborgd; d.. het persoonsgebonden budget gebruikt wordt voor het betalen van belangenbehartigers of een beheerder, of voor andere kosten dan het leveren van de maatwerkvoorziening. Onder andere kosten wordt ook verstaan reiskosten of begeleidings- of administratiekosten in verband met het beheren van een persoonsgebonden budget; e.. als, al dan niet via het Bewuste Keuze-gesprek met, de cliënt of zijn vertegenwoordiger pgb-zaken, naar het oordeel van het college blijkt dat deze onvoldoende pgb-vaardig is. Dit blijkt als deze: I.. de aanvraag niet kan motiveren en toelichten en daarmee onvoldoende blijk geeft de eigen situatie, dan wel die van de cliënt te overzien en een duidelijk beeld van de ondersteuningsvraag te hebben; II.. een bespreking van het uitvoeringsplan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; III.. de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, niet voldoende vaardig is om te communiceren met de gemeente, de Sociale Verzekeringsbank en aanbieders; IV.. onvoldoende op de hoogte is van de regels en verplichtingen die horen bij het persoonsgebonden budget; V.. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; VI.. problematische schulden heeft, een schuldsaneringstraject doorloopt of onder de wet schuldsanering natuurlijke personen valt; VII.. verwijtbaar onder toezicht staat of een bewindvoerder heeft, tenzij de bewindvoerder het volledige beheer van het persoonsgebonden budget op zich neemt. De kosten die hiermee gemoeid zijn komen ten laste van de cliënt. Onder verwijtbaar wordt verstaan dat de persoon handelingen heeft verricht of keuzes heeft gemaakt die ertoe hebben geleid dat toezicht of bewind voering noodzakelijk is; VIII.. redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het persoonsgebonden budget te beheren, geen overzichtelijke pgb-administratie kan bij houden, waardoor geen inzicht is in de bestedingen van het persoonsgebonden budget; IX.. de inzet van hulpverleners en/of leveranciers niet kan coördineren, ook bij verlof en ziekte, waardoor de ondersteuning, levering of onderhoud niet door kan gaan; X.. onvoldoende in staat zijn om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een aanbieder te kiezen; XI.. onvoldoende in staat is om als werk- of opdrachtgever de aanbieders aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren of levering; dit is in ieder geval de situatie als aanbieder en vertegenwoordiger pgb-zaken dezelfde zijn, in dat geval kan de aanbieder niet met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken vervullen; XII.. onvoldoende in staat is om afspraken te maken en vast te leggen, en om dit te verantwoorden; f.. de cliënt met het persoonsgebonden budget een maatwerkvoorziening wenst in te kopen bij een aanbieder die in het verleden bewezen fraude heeft gepleegd; g.. indien er twijfels zijn over de integriteit van de aanbieder, wat zich in ieder geval voordoet indien de aanbieder in de afgelopen vijf jaar: I.. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; II.. veroordeeld is geweest wegens een misdrijf; III.. bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; IV.. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; V.. er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die veroordeeld zijn voor strafbare feiten of daarvan momenteel worden verdacht; VI.. zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie; VII.. er naar het ordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking. 4.. Het college kan de pgb-aanbieder onderwerpen aan een screening zoals bedoeld in artikel 7.3 lid 2 van deze verordening. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren naar aanleiding van een negatief advies van het Landelijk Bureau Bibob of na een eigen onderzoek.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel