Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.2.

Gebiedsindeling en welstandsambities

Onderdeel van Nota ruimtelijke kwaliteit Dijk en Waard 2022

In de gemeente Dijk en Waard kunnen op basis van overeenkomsten in functionele, stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken 7 welstandsgebieden worden onderscheiden. De afzonderlijke gebieden vormen een samenvoeging van de eerdere deelgebieden. Zo is de ‘historische lintbebouwing’ van Heerhugowaard samengevoegd met de ‘Dorpslinten’, ‘Dwarsverbindingen’ en ‘Eilanden’ van Langedijk. Hoewel deze gebieden in sommige opzichten sterk verschillen in uitstraling kunnen deze toch met dezelfde set toetscriteria worden beoordeeld. Het beleid is hier namelijk vooral gericht op het in stand houden en bij nieuwe ontwikkelingen versterken van het karakter en de eenheid van de reeds aanwezige bebouwing. De mogelijkheid blijft open tot vernieuwen binnen de bestaande context met behoud van de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden. 1 Lintbebouwing bijzonder 2A Bestaande woonwijken regulier 2B Bestaande Woonwijk – Oosterdelgebied regulier 2C Woonwagenterreinen regulier-welstandsvrij 2D Nieuwe woonwijken bijzonder 3 Centrumzones regulier 4A Bedrijventerreinen regulier 4B Beveland regulier 4C Overtoom welstandsvrij 4D De Vaandel en Breekland bijzonder 5 Buitengebied – landelijk gebied regulier 6 Kassenconcentratiegebied: Alton I & II welstandsvrij 7 Sport-, recreatie- en groene terreinen regulier-welstandsvrij Als er naar aanleiding van de gebiedsindeling twijfel bestaat in welk gebied een gebouw thuishoort, zal de commissie ruimtelijke kwaliteit op basis van de beschrijvingen en afbeeldingen aangeven welke criteria van toepassing worden geacht. DEELGEBIED 1: LINTBEBOUWING NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT:Bijzonder Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Het betreft hier de historische dorpslinten van Oudkarspel, Noord- en Zuid Scharwoude, Broek op Langedijk, Sint Pancras, Koedijk en Heerhugowaard, de dwarsverbindingen en de eilandenverbindingswegen, watergangen en de kleinere bebouwingslinten en de eilanden in Langedijk. Hoewel deze gebieden in sommige opzichten sterk verschillen in uitstraling kunnen deze toch met dezelfde set toetscriteria worden beoordeeld. Het beleid is hier vooral gericht op het in stand houden en bij nieuwe ontwikkelingen versterken van het karakter en de eenheid van de reeds aanwezige bebouwing. De mogelijkheid blijft open tot vernieuwen binnen de bestaande context met behoud van de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Bij een aantal inbreilocaties zijn er beeldkwaliteitsplannen die als aanvullende toetsingscriteria gelden voor nieuwe ontwikkelingen. Indien de bouwlocatie is gerealiseerd, dan vervalt het beeldkwaliteitsplan en gelden de toetscriteria van de nota ruimtelijke kwaliteit. De ontwikkellocatie ‘Broekerwerf’ valt als dit is gerealiseerd onder deelgebied 1. CRITERIA Situering Bij de lintbebouwing gaat het om het behouden en herstellen van het kleinschalige, diverse en ruimtelijke karakter, waarbij zoveel mogelijk doorzichten mogelijk blijven. In de aaneengesloten dorpslinten zijn doorzichten vaak niet meer van toepassing. Er dient te worden aangesloten op de bebouwingsritmiek van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een bijzondere stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt. Samenvoeging van woningen mag slechts met instandhouding van de korrelgrootte van het lint (de verhoudingen tussen de verschillende bouwvolumes in de directe omgeving moeten visueel intact blijven). Bebouwing is in positie en massa afgestemd op de verkavelingsrichting. Er wordt niet gebouwd tegen gebouwen die in vorm en massa afwijken. In uitzonderlijke gevallen wordt samengevoegd via een tussenlid met platte afdekking. De voorgevelrooilijn volgt de loop van de straat met kleine verspringingen. Voorgevel en publieksgerichte functies zijn gericht op de straat. Hoofdvorm Per kavel is er één hoofdmassa met een eenduidige hoofdvorm met een eigen individuele karakteristiek. De gebouwen bestaan uit een onderbouw van één tot twee bouwlagen met een hellend dak dat niet is afgeplat. Minimale dakhelling 30 graden, maximale dakhelling 65 graden. De nokrichting is conform wat in het gebied gebruikelijk is De gekozen kapvorm moet passen bij de al aanwezige kapvormen op het perceel. In geval van een dwarskap is bij vervangende nieuwbouw de oorspronkelijke richting van de kap maatgevend. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn ondergeschikt in vorm en situering aan de hoofdmassa en in een afgeleide architectuur. Dit geldt ook voor erkers en dakkapellen aan de voorzijde. Nokhoogte van bijgebouwen zijn minimaal 1 meter lager dan het hoofdgebouw. Indien de goothoogte van de woning op de eerste verdiepingsvloer ligt, moet het boeideel van het bijgebouw op gelijke hoogte of lager liggen. Uitzondering hierop zijn de agrarische bedrijven en woonboerderijen, hier geldt dat bijgebouwen in positie en uitwerking ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. Gebouwen hebben tenminste één naar de straat gekeerde representatieve zijde; Winkelpuien en straatgerichte gevels van bedrijven en maatschappelijke functies hebben een open karakter, zijn transparant en representatief. Bij hoeksituaties gericht naar het openbaar gebied is er ontwerpaandacht voor de naar het openbaar gebied gerichte gevels. Gevels zijn niet compleet gesloten, maar voorzien van raampartijen. Terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur. In ieder geval niet toepassen aan de zijde van het openbaar gebied. Materiaal, Detail en kleur Elk hoofdgebouw kent een eigen identiteit en detaillering; Vormgeving, kleur en materiaalgebruik worden afgestemd op het karakter van het pand of de omgeving, zoals baksteen en pannendak. Renovaties, aan- of verbouwing worden in stijl aangepast aan het oude gebouw. Kleurgebruik is overwegend traditioneel, geen felle contrasterende kleuren; Hedendaagse interpretatie op historische kenmerken is wel mogelijk. Eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken uitgevoerd; Er wordt aandacht geschonken aan de zorgvuldige vormgeving van de entrees, erkers, dakkapellen, kroonlijsten en dergelijke. Gevels in aardkleurige baksteen (rood tot roodbruin), incidenteel gele baksteen; Stucwerk van vrijstaande gemetselde woningen is in uitzonderlijke situaties mogelijk. Incidenteel houten topgevels en/of pleisterwerk is mogelijk; Daken met gebakken zwarte, antraciet of rode dakpannen en/of riet; In het algemeen zijn niet toegestaan: wit/grijze betonsteen/ kalkzandsteen, beton-, kunststof- of aluminiumbeplating, geglazuurde dakpannen en geprofileerde dakplaten; Kozijnen, ramen en deuren van kunststof zijn toegestaan als de uitstraling en detaillering vergelijkbaar is met de uitstraling en detaillering van hout. In de historische linten traditionele en eenvoudige gevelindeling waarbij de gevelopeningen overwegend een verticale gerichtheid hebben; Bij winkelpuien onder de niet draaiende delen altijd een plint, uitgevoerd in hardsteen of een rollaag; In de historische linten: duidelijke dakranden en fijne en ambachtelijke detailleringen (zoals te zien aan gootlijsten op klossen, zwaar kozijnhout e.d.); Bijgebouwen, voor zover in het zicht gelegen, zijn qua materiaal en kleur verwant aan het hoofdgebouw. OVERIGE CRITERIA Voor specifieke bouwwerken, zoals oorspronkelijk agrarische stolpboerderijen, agrarische bedrijfsgebouwen, koolboeten en koolhuizen, bruggen en reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in hoofdstuk 4. objectgerichte criteria; Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de in hoofdstuk 5 vermelde sneltoetscriteria. DEELGEBIED 2ABESTAANDE WOONWIJKEN NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT: Regulier De bestaande woonwijken vallen gedeeltelijk onder de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit. De gemeente stelt geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwen en het toezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van het gebied. Vrij van toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: Kleine bouwwerken bij het hoofdgebouw op het achtererf die passen binnen de regels van het bestemmingsplan zijn vrij van de toets ruimtelijke kwaliteit. de excessenregeling is wel van toepassing op het hele gebied. Zie ook het plaatje ‘toets ruimtelijke kwaliteit in bestaande woonwijken’ op de volgende bladzijde. Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: Een compleet nieuwe woning en het vergroten van de bestaande woning binnen het bouwvlak (bestemmingsplan) van het hoofdgebouw moet altijd voldoen aan de criteria voor ruimtelijke kwaliteit. Voor de binnenstedelijke herstructureringslocaties zijn aparte criteria opgesteld. Herstructureringslocaties zijn zo beeldbepalend en ingrijpend in de huidige structuur, dat een extra kwaliteitsinspanning gewenst is. Zodra de herstructurering afgerond is, valt deze locatie weer onder de criteria van de bestaande woonwijken. CRITERIA Situering Er wordt aangesloten bij massa, opbouw en hoofdvorm binnen een samenhangend cluster, op het niveau van het blok, de straat of de buurt/wijk. Hoofdvorm Gebouwen met een bijzondere functie kunnen in massa, opbouw en vorm afwijken. De eenheid van de totale compositie van de rij wordt bewaakt, maar daarbinnen is variatie van individuele woning mogelijk. De gekozen kapvorm moet passen bij de al aanwezige kapvormen op het perceel. De gebouwen bestaan uit een onderbouw met een hellend dak dat niet is afgeplat. Minimale dakhelling 30 graden, maximale dakhelling 65 graden. Bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa. De nokhoogte van bijgebouwen is minimaal 1,0 meter lager dan het hoofdgebouw. Indien de goothoogte van de woning op de eerste verdiepingsvloer ligt, moet het boeideel van het bijgebouw op gelijke hoogte of lager liggen. Bij rijtjeswoningen worden de ritmische delen van de voorgevels in het blok in stand gehouden (de individuele woning is herkenbaar). Winkels in een groter blok worden in de compositie opgenomen als plint. Op begane grond niveau worden geen gesloten gevels gericht op de openbare ruimte. Bij maatschappelijke en publieksgerichte functies is er aandacht voor gebouwentrees in relatie tot de omgeving. vormgeving van gevels en dak worden afgestemd op de karakteristiek van het pand of de belendende panden Materiaal, Detail en kleur De materialisatie en kleurgebruik wordt per blok of deelgebied afgestemd (hoofdkleur gevels handhaven). Het toevoegen van kleuraccenten door variatie in de kleur van kozijnen en/of panelen en dergelijke is mogelijk. Kozijnen, ramen en deuren van kunststof zijn toegestaan als de uitstraling en detaillering vergelijkbaar is met de uitstraling en detaillering van hout. De bebouwing heeft aan de kant van de openbare ruimte representatieve gevels. Winkelpuien en straatgerichte gevels van bedrijven en maatschappelijke functies hebben een open karakter, zijn transparant en representatief. OVERIGE CRITERIA Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de sneltoetscriteria. Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria. AANVULLENDE CRITERIA BINNENSTEDELIJKE HERSTRUCTURERINGSLOCATIES Herstructureringslocaties zijn zo beeldbepalend en ingrijpend in de huidige structuur, dat een extra kwaliteitsinspanning gewenst is. Naast de criteria van het deelgebied gelden voor de herstructureringslocaties de volgende criteria: Situering Schaalvergroting is alleen mogelijk indien de korrelgrootte in stand wordt gehouden (de verhoudingen tussen de verschillende bouwvolumes in de directe omgeving moeten visueel intact blijven). Bij vervangende nieuwbouw en de invulling van leegtes en bij de wandvorming door grotere volumes, wordt aandacht geschonken aan de geleding van de gevels en vormgeving van de ‘koppen’. Eigen terreininrichting maakt onderdeel uit van de ontwerpopgave. Hoofdvorm Gebouwen met een bijzondere functie kunnen in massa, opbouw en vorm afwijken. Voorgevel en publieksgerichte functies zijn gericht op de straat. Aan de verschijningsvorm van meerzijdig georiënteerde gebouwen worden hoge architectonische eisen gesteld. Gebouwen bestaan uit een onderbouw van één of meer lagen met een hellend dak of een terugliggende verdieping. Bij grote gevelvlakken wordt de gevel van het gebouw opgedeeld in kleinere verticale zichtbare geledingen. Geen gesloten gevels op straatniveau. Accentuering in bouwhoogte van hoeken is mogelijk indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt beargumenteerd kan worden en indien passend in de compositie. De schaal van de bebouwing wordt aangesloten bij de gewenste wandvorming. Speciale aandacht is er in geval van aansluiting op de historische lintbebouwing, bijvoorbeeld door middel van lagere bebouwing. Materiaal, Detail en kleur Afwisseling van gebouwen met hedendaagse of historische detaillering en materiaalgebruik is mogelijk. Er is bijzondere aandacht voor de vormgeving van de ingangen. Kleuraccenten zijn mogelijk indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt beargumenteerd kan worden en indien passend in de compositie. Waar achtererfafscheidingen grenzen aan openbaar gebied, wordt deze mee ontworpen. Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria. Zodra de herstructurering afgerond is, valt deze locatie weer onder de criteria van de bestaande woonwijken. DEELGEBIED 2B:OOSTERDELGEBIED NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT: Regulier Gebiedsbeschrijving Het woongebied Oosterdelgebied onderscheidt zich qua bebouwingsdichtheid, plaatsing van gebouwen op de kavels, de bouwmassa’s en de architectuur van alle andere woongebieden. Het gebied is onderdeel van het restant van het rijk der 1000 eilanden. De eilandenstructuur is in dit gebied grotendeels in tact gebleven en bebouwd met vrijstaande woningen in diverse vormen en stijlen. Er sprake van woningbouw uitgaande van het principe van het wonen aan het water, met één woning per (schier)eiland. De grotere eilanden zijn bebouwd met meerdere woningen die soms in onderlinge samenhang zijn gebouwd. De bebouwing is individueel door de ruimtelijke karakteristiek van het gebied en door de architectuur van de woningen. De woningen zijn in de basis veelal eenvoudig en traditioneel van opbouw met overwegend één bouwlaag met zadelkap. Regelmatig is er sprake van verwijzing naar traditionele en agrarische bebouwing door toepassing van bijvoorbeeld wolfseinden of puntdaken zoals bij stolpboerderijen. Vaak zijn de dakvlakken voorzien van dakkapellen of ramen. De woningen hebben veelal mee-ontworpen op- en aanbouwen, waaronder erkers, carports en ook boothuizen. De mate aan detaillering is meestal eenvoudig, maar er zijn uitschieters naar boven met een rijke zorgvuldig ontworpen uitvoering. Het materiaalgebruik is vaak traditioneel met eigentijdse accenten en enkele versieringen. Naast baksteen komen ook houten rabatdelen en plaatmateriaal als gevelmateriaal voor. Opvallend is dat er vaak sprake is van een (houten) betimmering in de topgevel. Daken zijn voorzien van rode of donkere pannen en een enkele keer van riet. Het kleurgebruik is veelal traditioneel, licht en terughoudend. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op het handhaven van de bestaande situatie. Nieuwe ontwikkelingen bestaan veelal uit (sloop en) nieuwbouw van woningen. Er is sprake van een opmerkelijk gebied vanwege de landschappelijke en stedenbouwkundige structuur. Voor de ruimtelijke indeling van het gebied is uitgegaan van de wegen en waterlopen en het landschapsplan. Hierdoor heeft het gebied een bijzondere eigen uitstraling en identiteit. Het beleid is gericht op het behoud van deze eigen identiteit, de relatie met een water- en groenrijke omgeving en een afwisselend beeld zonder te grote dissonanten tussen de individuele woningen. Situering aansluiten op de bebouwingsritmiek van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; overwegend vrijstaand en sterke relatie met groene en waterrijke omgeving door relatie woning met water. Hoofdvorm aansluiten op de massa en hoofdvorm van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; één bouwlaag met een kap; woningen hebben een individuele uitstraling; De gekozen kapvorm moet passen bij de al aanwezige kapvormen op het perceel. De gebouwen bestaan uit een onderbouw met een hellend dak dat niet is afgeplat. Minimale dakhelling 30 graden, maximale dakhelling 65 graden. Aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa en in een afgeleide architectuur. De nokhoogte van bijgebouwen is minimaal 1,0 meter lager dan het hoofdgebouw. Indien de goothoogte van de woning op de eerste verdiepingsvloer ligt, moet het boeideel van het bijgebouw op gelijke hoogte of lager liggen. erkers, aanbouwen en dakkapellen zijn mee ontworpen dan wel ondergeschikt en herkenbaar als zelfstandig deel; terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur. Materiaal, Detail en kleur samenhang van individuele woning behouden; eigentijdse uitwerking van een gevel is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken van de individuele woning uitgevoerd; gevelopbouw en detaillering is fijn, maar sober; samenhang van individuele woning behouden; eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk; kleur- en materiaalgebruik is individueel, geen felle contrasterende kleuren. DEELGEBIED 2C WOONWAGENTERREINEN In Heerhugowaard zijn aan de Diamant, Kopermolen, van Veenweg en Tijm woonwagenterreinen gelegen. In Oudkarspel is een woonwagenterrein aan de Zaagmolenweg 2, 4, 6. Deze terreinen kenmerken zich door de toename van permanente bouwwerken dicht op elkaar, op een terrein dat vroeger een semi-permanent karakter had. In het bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden om op deze plekken een woning te bouwen. NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT: Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Zaagmolen 2, 4, 6 Oudkarspel: Dit terrein kenmerkt zich door de openheid richting het openbaar gebied. Het is duidelijk zichtbaar vanaf de openbare weg en duidelijk zichtbaar vanaf de bestaande woonwijk. Om die reden valt dit woonwagenterrein onder de toetscriteria van Deelgebied 2A Bestaande woonwijken van bladzijde 27 t/m 30. NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT: Géén toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Diamant, Kopermolen, Van Veenweg en Tijm te Heerhugowaard: De terreinen zijn voornamelijk naar binnen gericht. Om deze reden is toetsing aan ruimtelijke kwaliteit niet noodzakelijk. Er worden geen eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de woonwagens en woningen gesteld zolang gebouwd wordt binnen de randvoorwaarden van het bestemmingsplan. De excessenregeling is wel van toepassing voor dit gebied. DEELGEBIED 2D:NIEUWE WOONWIJKEN NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Voor nieuwe woonwijken zoals de Draai, Broekhorn, Noordereiland, Tuinen van Luna, Westpoort, de Scheg, Westerdel, Koolvlinder, Nieuwe Veiling en Broekerveiling is de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit van toepassing. Om toetsing mogelijk te maken zijn door de raad beeldkwaliteitsplannen vastgesteld. CRITERIA In de beeldkwaliteitsplannen zijn de criteria opgenomen die tijdens de ontwikkelingsfase fungeren als kader voor de toets van de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit. Als een deelgebied of de wijk is afgebouwd, wordt daarna getoetst aan deelgebied ‘2A Bestaande woonwijken’. DEELGEBIED 3:CENTRUMZONE: MIDDENWAARD,STATIONSGEBIED, CENTRUMWAARDEN OVERIGE WINKELGEBIEDEN NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit De centrumzone valt onder de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit vanwege de centrale ligging en de centrumfunctie voor de gemeente. Het toezicht is gericht op het, binnen de diversiteit van de bebouwingsvormen, behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Gebaseerd op de uitgangspunten voor de ontwikkeling van de verschillende gebieden zijn criteria opgesteld die de gewenste ruimtelijke kwaliteit ondersteunen. Voor het Stationsgebied wordt het Beeldkwaliteitsplan als toetscriteria gebruikt. CRITERIA Situatie Voorgevel en publieksgerichte functies zijn gericht op het openbaar gebied. Gebouwen zijn zo in de omgeving geplaatst, dat een aangename openbare ruimte tussen de verschillende gebouwen ontstaat die als straat, steeg of voetgangers- of langzaamverkeerszone gebruikt kan worden. Eigen terreininrichting maakt onderdeel uit van de ontwerpopgave. Hoofdvorm Gebouwen zijn individueel en afwisselend, met een heldere krachtige hoofdvorm. Maat en schaal van de gebouwen sluit aan bij de belendende panden. Bij functiemenging op gebouwniveau zijn functies afleesbaar in de gevelopbouw. Gebouwen met een bijzondere functie kunnen in massa, opbouw en vorm afwijken. Winkels in een groter blok worden in de compositie opgenomen als plint. De hoofdingangen van de gebouwen zijn gelegen aan de voorzijde/straatzijde en zijn duidelijk herkenbaar in het gevelbeeld. Bij grote gevelvlakken wordt de gevel van het gebouw opgedeeld in kleinere verticale zichtbare geledingen. Aan de verschijningsvorm van de voorgevel en in het zicht zijnde zijgevels wordt extra ontwerpaandacht gevraagd. Op beganegrond niveau worden geen gesloten gevels gericht op de openbare ruimte. Bijgebouwen ontbreken of zijn in opzet en schaal sterk ondergeschikt. Deze worden bij voorkeur ondergebracht in het hoofdgebouw. Bebouwing in Centrumwaard heeft een kapvorm of de kap is terugliggend met een gevel vormgegeven. Toegangen naar parkeergarages, parkeergarage-inritten, opslagruimten, laad- en losruimten en andere utilitaire ruimten moeten van hoge kwaliteit zijn en passen bij de architectuur van het totale gebouw. Winkelpuien hebben een open karakter, zijn transparant en representatief. Afvoerkanalen (lucht/rookgas/ventilatie) worden in hoogte beperkt. Er worden geen buizen langs de gevel aangebracht. Afvoerkanalen worden bij voorkeur uitgevoerd als filter, waarmee de hoogte minimaal kan blijven. Voor de plaatsing van het filter gelden de sneltoetscriteria voor technische installaties. Materiaal, Detail en kleur Kleuraccenten zijn mogelijk indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt beargumenteerd kan worden en indien passend in de compositie. Materialen en detaillering zijn van hoge kwaliteit. Materiaal en kleurgebruik worden afgestemd op het gebouwontwerp en de omgeving. Bijzondere functies/situaties kunnen hiervan afwijken. OVERIGE CRITERIA Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de sneltoetscriteria. Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria. DEELGEBIED 4ABEDRIJVENTERREINEN:ZANDHORST, DE FRANS, HARLINGERSTRAAT,DE MOSSEL, ZUIDERDEL, DEWUYVER NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT: Regulier De bestaande bedrijventerreinen vallen gedeeltelijk onder de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit. De gemeente stelt geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwen en het toezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van het gebied. Vrij van toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: Kleine bouwwerken op het achtererf die passen binnen de regels van het bestemmingsplan zijn vrij van de toets ruimtelijke kwaliteit. de excessenregeling is wel van toepassing op het hele gebied. Zie ook het plaatje ‘toets ruimtelijke kwaliteit op bedrijventerreinen’ op de volgende bladzijde. Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: Een compleet nieuw bedrijfsgebouw en het vergroten van het bestaande bedrijfsgebouw binnen het bouwvlak (bestemmingsplan) van het hoofdgebouw moet altijd voldoen aan de criteria voor ruimtelijke kwaliteit. Kleine bouwwerken op het hoofdgebouw zijn in veel gevallen vrij van de toets ruimtelijke kwaliteit’. Zie hiervoor de sneltoetscriteria in hoofdstuk 5. CRITERIA Situatie De gebouwen staan vrij op de kavel met één hoofdmassa per perceel. Als er sprake is van meerdere gebouwen op één perceel dan wordt aandacht gevraagd voor samenhang en positie tussen de gebouwen en de inrichting van het terrein. De bebouwing die de bebouwingsgrens (rooilijn) overschrijdt, levert in kwalitatief opzicht een meerwaarde voor het straatbeeld op. Expeditie- en opslagruimte zoveel mogelijk aan de achterzijde van het gebouw situeren. Bij de inrichting van het buitenterrein met parkeerplaatsen is altijd sprake van een groenzone met ruimte voor beplantingen en /of bomen. Hoofdvorm Gevels zichtbaar vanaf doorgaande hoofdroutes dienen als voorgevel uitgevoerd te worden. Bijvoorbeeld langs de Westerweg en Westtangent, waar bebouwing een tweezijdige oriëntatie heeft. Er is ontwerpaandacht voor naar het spoor gerichte gevels. De hoofdingangen van de gebouwen zijn gesitueerd aan de voorzijde/ straatzijde en zijn duidelijk herkenbaar in het gevelbeeld. Representatieve ruimtes worden zoveel mogelijk aan de voorzijde gesitueerd. Op beganegrond niveau worden geen gesloten gevels gericht op de openbare ruimte. Bij grote gevelvlakken wordt de gevel van het gebouw opgedeeld in kleinere verticale zichtbare geledingen. Technische installaties op het gebouw worden geïntegreerd vormgegeven. Losgeplaatste bijgebouwen, zoals fietsenstallingen en technische ruimtes, zijn ondergeschikt en tonen verwantschap met het ontwerp en het materiaalgebruik van het hoofdgebouw. Materiaal, Detail en kleur Het materiaalgebruik van het kantoorgedeelte wijkt af van de (productie)hal. Per bedrijfspand wordt één hoofdkleur gebruikt. Hekwerken worden bij voorkeur gecombineerd met groene hagen of beplanting in beperkte hoogte en op eigen terrein. OVERIGE CRITERIA Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de sneltoetscriteria. Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria. DEELGEBIED 4BBEVELAND NIVEAU RUIMTELIJKE KWALITEIT: Bijzonder Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Beveland valt onder de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit dat vooral gericht is op de ontwikkeling van een aantrekkelijk kantorenpark-bedrijventerrein. De nadruk in het beleid ligt op het bewaken van de samenhang op het terrein en de bebouwing. Hierin zijn naast het karakter van het gebied zelf de ontwikkelingen van Westpoort en het Stationsgebied mede bepalend. CRITERIA Situatie De gebouwen zijn vormgegeven als zelfstandige elementen en ruim op de kavel gesitueerd. Er is één helder vormgegeven hoofdgebouw per kavel. Er is samenhang tussen de gebouwen en de inrichting van het terrein Bij de inrichting van het buitenterrein met parkeerplaatsen is altijd sprake van een groenzone met ruimte voor beplantingen en /of bomen. Hoofdvorm Er is diversiteit in vormgeving. Elk gebouw heeft een eigen vormgeving met aandacht voor architectonische kwaliteit en representatie. Gevels zichtbaar vanaf doorgaande hoofdroutes (Westtangent en spoorzijde), dienen als voorgevel uitgevoerd te worden. (De betreffende bebouwing heeft een tweezijdige oriëntatie.) De hoofdingangen van de gebouwen zijn gesitueerd aan de voorzijde/ straatzijde en zijn duidelijk herkenbaar in het gevelbeeld. Representatieve ruimtes worden zoveel mogelijk aan de voorzijde gesitueerd. Er worden geen gesloten gevels gericht op het openbaar gebied. Technische installaties op het gebouw worden geïntegreerd vormgegeven. Bij grote gevelvlakken wordt de gevel van het gebouw opgedeeld in kleinere verticale zichtbare geledingen. Materiaal, Detail en kleur Materiaaltoepassing en kleurgebruik is op basis van één hoofdmateriaal en hoofdkleur per bedrijfspand. Detaillering wordt afgestemd op de gebruikte architectuurstijl. Losgeplaatste bijgebouwen, zoals fietsenstallingen en technische ruimtes tonen verwantschap met het ontwerp en de materialisering van het hoofdgebouw. OVERIGE CRITERIA Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de sneltoetscriteria. Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria. DEELGEBIED 4C OVERTOOM NIVEAU RUIMTELIJKE KWALITEIT: Géén toetsing aan de nota ruimtelijke kwaliteit Vanwege de geïsoleerde ligging en autonome ontwikkeling van deze locatie acht de gemeente de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit hier minder zinvol. De gemeente stelt geen eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwen en reclames zolang gebouwd wordt binnen de randvoorwaarden van het bestemmingsplan. CRITERIA Indien de gemeente wil meewerken aan een bouwplan dat niet past binnen het bestemmingsplan, zal in ieder geval goedkeuring van de adviseur omgevingskwaliteit nodig zijn. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de algemene criteria. RECLAMES Reclames in het gebied zijn welstandsvrij zolang er géén reclame wordt gemaakt voor derden, geen LED schermen en bewegende beelden worden toegepast en er geen vergunning nodig is voor de activiteit Bouwen waarbij een ontheffing van het bestemmingsplan nodig is. Zie ook paragraaf 4.4: Reclames, deelgebied 4C: Overtoom. EXCESSEN De excessenregeling is wel van toepassing op het hele gebied. 4D DE VAANDEL EN BREEKLAND NIVEAU RUIMTELIJKE KWALITEIT: Bijzonder Wel toetsing aan de nota ruimtelijke kwaliteit De bedrijventerreinen de Vaandel en Breekland zijn nog in ontwikkeling. Hiervoor zijn beeldkwaliteitsplannen vastgesteld. CRITERIA DEVAANDEL Tijdens de ontwikkelingsfase fungeert het beeldkwaliteitsplan als toetsingskader voor de ruimtelijke kwaliteit. In het beeldkwaliteitsplan zijn kwaliteitszones benoemd en criteria opgenomen aan de hand waarvan een supervisieteam een bouwplan beoordeeld. Dit geldt ook voor de fietsenstallingen en erfafscheidingen bij het bedrijfspand. Zodra de ontwikkeling van de locatie is afgerond en alle kavels bebouwd zijn zal het toezicht conform het nabijgelegen bedrijventerrein Zandhorst van toepassing worden. Er zal dan getoetst worden aan de criteria van deelgebied 4A Bedrijventerreinen. RECLAMES Voor reclames zijn er aanvullende objectcriteria opgenomen in paragraaf 4.6: Reclames, deelgebied 4, bedrijventerreinen 4A, 4B en 4D. DEELGEBIED 5BUITENGEBIED –LANDELIJK GEBIED NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT:Regulier Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Verspreid over het buitengebied komt bebouwing voor. De meeste bebouwing is gesitueerd in het agrarische deel van de gemeente. Het gaat in hoofdzaak om agrarische bebouwing. De bebouwing bestaat voornamelijk uit losstaande bedrijfswoningen met daarachter de agrarische bedrijfsgebouwen. Over het algemeen is de bebouwing kleinschalig. De nokrichting van de woningen is in de meeste gevallen evenwijdig aan de weg en de opbouw van de woningen is eenvoudig; één bouwlaag met een zadeldak. De agrarische bedrijfsgebouwen zijn van uiteenlopende materialen, maar veelal in gedekte kleurstellingen. Gelet op de huidige kwaliteiten van het buitengebied geldt voor het gebied een regulier ambitieniveau. De inzet is om daarbij respectvol om te gaan met de bestaande kwaliteiten, oorspronkelijke structuurelementen en cultuurhistorische bebouwing. Streven naar goede inpassing van toevoegingen in het landschap en het compact houden van bestaande bebouwde boerenerven. De erfinrichting en erfbeplanting hebben een belangrijke rol bij het totaalbeeld van een boerenerf. Onderstaande criteria gaan voornamelijk over de (bedrijfs)woningen en de bebouwing ten dienste van het wonen. Voor de achterliggende agrarische bedrijfsgebouwen zijn objectgerichte criteria opgesteld. Zie hoofdstuk 4.3: Agrarische bedrijfsgebouwen op bladzijde 62 en 63. CRITERIA Situering Bij het hoofdgebouw (de woning) gaat het om het behouden en herstellen van het kleinschalige, diverse en ruimtelijke karakter, waarbij zoveel mogelijk doorzichten mogelijk blijven. Er wordt niet gebouwd tegen gebouwen die in vorm en massa afwijken. In uitzonderlijke gevallen wordt samengevoegd via een tussenlid met platte afdekking. aansluiten op de bestaande bebouwingsritmiek van compacte bebouwing op een boerenerf; het hoofdgebouw (de woning) is met de voorgevel georiënteerd op de weg. De agrarische bedrijfsgebouwen compact gesitueerd op het achtererf (bebouwing in tweede lijn); de nokrichting van de woningen is overwegend evenwijdig aan de weg, terwijl van de agrarische bedrijfsgebouwen in hoofdzaak de nokrichting haaks op de weg is; bijzondere functies kennen een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Hoofdvorm Per woonkavel is er één hoofdmassa met een eenduidige hoofdvorm met een eigen individuele karakteristiek. De gebouwen bestaan uit een onderbouw van één tot twee bouwlagen met een hellend dak dat niet is afgeplat. Minimale dakhelling 30 graden, maximale dakhelling 65 graden. De gekozen kapvorm moet passen bij de al aanwezige kapvormen op het perceel. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn ondergeschikt in vorm en situering aan de hoofdmassa en in een afgeleide architectuur. Dit geldt ook voor erkers en dakkapellen aan de voorzijde. Nokhoogte van bijgebouwen zijn minimaal 1 meter lager dan het hoofdgebouw. Indien de goothoogte van de woning op de eerste verdiepingsvloer ligt, moet het boeideel van het bijgebouw op gelijke hoogte of lager liggen. Uitzondering hierop zijn de agrarische bedrijven en woonboerderijen, hier geldt dat bijgebouwen in positie en uitwerking ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. Bij hoeksituaties gericht naar het openbaar gebied is er ontwerpaandacht voor de naar het openbaar gebied gerichte gevels. Gevels zijn niet compleet gesloten, maar voorzien van raampartijen. Terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur. In ieder geval niet toepassen aan de zijde van het openbaar gebied. Materiaal, Detail en kleur Elk hoofdgebouw (de woning) kent een eigen identiteit en detaillering; Vormgeving, kleur en materiaalgebruik worden afgestemd op het karakter van het pand of de omgeving, zoals baksteen en pannendak. Renovaties, aan- of verbouwing worden in stijl aangepast aan het oude gebouw. Kleurgebruik is overwegend traditioneel, geen felle contrasterende kleuren; Hedendaagse interpretatie op historische kenmerken is wel mogelijk. Eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken uitgevoerd; Er wordt aandacht geschonken aan de zorgvuldige vormgeving van de entrees, erkers, dakkapellen, kroonlijsten en dergelijke. Gevels in aardkleurige baksteen (rood tot roodbruin), incidenteel gele baksteen; Stucwerk van vrijstaande gemetselde woningen is in uitzonderlijke situaties mogelijk. Incidenteel houten topgevels en/of pleisterwerk is mogelijk; Daken met gebakken zwarte, antraciet of rode dakpannen en/of riet; In het algemeen zijn niet toegestaan: wit/grijze betonsteen/ kalkzandsteen, beton-, kunststof- of aluminiumbeplating, geglazuurde dakpannen en geprofileerde dakplaten; Kozijnen, ramen en deuren van kunststof zijn toegestaan als de uitstraling en detaillering vergelijkbaar is met de uitstraling en detaillering van hout. Bijgebouwen, voor zover in het zicht gelegen, zijn qua materiaal en kleur verwant aan het hoofdgebouw. OVERIGE CRITERIA Voor specifieke agrarische bedrijfsgebouwen op het achtererf zijn er aanvullende criteria opgenomen in hoofdstuk 4. objectgerichte criteria; Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden tevens de in hoofdstuk 5 vermelde sneltoetscriteria. DEELGEBIED 6 KASSENCONCENTRATIEGEBIED: ALTON I & II NIVEAU RUIMTELIJKE KWALITEIT Géén toetsing aan de nota ruimtelijke kwaliteit Vanwege de autonome ontwikkelingen van deze locaties acht de gemeente de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit hier minder zinvol. Aan de randen van dit gebied zijn beperkingen opgelegd in het kader van het bestemmingsplan. Daarbinnen zijn de agrarische ontwikkelingen het voornaamste uitgangspunt. De gemeente stelt geen eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwen en reclames op deze locatie zolang gebouwd wordt binnen de randvoorwaarden van het bestemmingsplan. CRITERIA Indien de gemeente wil meewerken aan een bouwplan dat niet past binnen het bestemmingsplan, zal in ieder geval goedkeuring van de adviseur omgevingskwaliteit nodig zijn. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de algemene criteria. RECLAMES Reclames in het gebied zijn welstandsvrij zolang er géén reclame wordt gemaakt voor derden, geen LED schermen en bewegende beelden worden toegepast en er geen vergunning nodig is voor de activiteit Bouwen waarbij een ontheffing van het bestemmingsplan nodig is. Zie ook paragraaf 4.6: Reclames, deelgebied 6: Kassenconcentratiegebied: Alton I & II. EXCESSEN De excessenregeling is wel van toepassing op het hele gebied. DEELGEBIED 7 SPORT-, RECREATIE- EN GROENE TERREINEN NIVEAU RUIMTELIJKE KWALITEIT Deze terreinen vallen gedeeltelijk onder toetsing aan ruimtelijke kwaliteit De gemeente stelt geen aanvullende eisen aan de ruimtelijke kwaliteit en het toezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van het gebied. De basiskwaliteiten worden beschreven in enkele gebiedsgerichte criteria. HET GEBIED DAT NIET ZICHTBAAR IS VANAF HET OPENBAAR GEBIED: Géén toetsing aan de nota ruimtelijke kwaliteit De gemeente stelt geen eisen aan de ruimtelijke kwaliteit aan de gebouwen op deze locatie zolang gebouwd wordt binnen de randvoorwaarden van het bestemmingsplan. Dit geld voor de volgende sportterreinen waar géén overlast valt te verwachten richting de woonomgeving: Sportcomplex De Vork, Middenweg, Heerhugowaard; Tennisclub Heerhugowaard, van Veenweg 100, Heerhugowaard; Tennisclub Sint Pancras, Beverplein 1, Sint Pancras; Tennisclub Langedijk, Potjesdam 3, Zuid Scharwoude; HET GEBIED DAT WEL ZICHTBAAR IS VANAF HET OPENBAAR GEBIED: Wel toetsing aan de nota ruimtelijke kwaliteit Hieronder vallen alle overige sportcomplexen, recreatie- en groene terreinen, waaronder ‘Geestmerambacht’ en het ‘Strand van Luna’. CRITERIA Situatie Indien het terrein duidelijk zichtbaar is vanaf het openbare gebied, dient dit zorgvuldig te worden ingericht. bebouwing sporadisch en verspreid, geen clustering; per erf/terrein is er één hoofdgebouw/-massa; bebouwing heeft een alzijdige oriëntatie, gerelateerd aan het omliggende landschap. Hoofdvorm Gebouwen die zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied dienen met zorg te worden vormgegeven De opbouw gebeurt in heldere volumes op basis van een eenduidige hoofdvorm. De entree van het gebouw wordt helder vormgegeven. Aan het gebouw is afleesbaar wat de functie is. Er wordt niet gebouwd tegen gebouwen die in vorm en massa afwijken. In uitzonderlijke gevallen wordt samengevoegd via een tussenlid met platte afdekking. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur. bijzondere functies kennen een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Materiaal, Detail en kleur Terughoudend kleur- en materiaalgebruik, passend in de groene, landschappelijke omgeving. Geen felle en contrasterende kleuren. Gebruik van hoogwaardige duurzame materialen. OVERIGE CRITERIA De eisen aan de opslagcontainer bij sportterreinen staat vermeld in paragraaf 5.11: Sneltoetscriteria voor containers op bladzijde 106. Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de sneltoetscriteria. Voor reclames zijn de criteria opgenomen in paragraaf 4.6: Reclames, deelgebied 6: Overige gebieden.

Rechtspraak bij dit artikel