In de Regeling bodemkwaliteit is opgenomen dat voor het toepassen van zeezand het chloridegehalte maximaal 200 mg/kg ds mag zijn. Er wordt dan gesproken over ontzilt zeezand. Bij het toepassen van zeezand op plaatsen waar een direct contact is of mogelijk is met brak oppervlaktewater of zeewater met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5000 mg/l, geldt voor chloride geen maximale waarde.
Het grondwater in Zeeland is van nature op veel plekken brak tot zout. Dit betekent dat het aanbrengen van zout zand in dit geval geen verslechtering oplevert van de chemische toestand van het grond- of oppervlaktewater. In opdracht van de provincie Zeeland is in 2005 een rapport opgesteld (lit. 23) met daarin de geohydrologische aspecten van het toepassen van zout zeezand. In het rapport wordt beschreven met welke factoren rekening dient te worden gehouden.
Zout zeezand mag niet worden toegepast in de zoetwatervoorkomens, grondwater- beschermingsgebieden en kwetsbare gebieden voor natuur en landbouw (circa 37% van het totale landoppervlak van Zeeland). Deze gebieden staan weergegeven in onderstaande figuur. De rode gebieden zijn de zoetwatervoorkomens, waar zout zeezand niet mag worden toegepast. In de oranje gebieden, de natuurgebieden en de bufferzones, is een nadere analyse nodig van de plaatselijke situatie.
Zoet watervoorkomens, natuurgebieden en bufferzones uit lit. 23:
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.3
Artikel 5.3.5
Toepassing van zout zeezand
Onderdeel van Nota bodembeheer Gemeente Goes