Naar hoofdinhoud
In dit artikel wordt nadere invulling gegeven aan de gemeentelijke beleidsvrijheid. Het kabinet heeft met VNG en Divosa afgesproken dat wordt ingezet op het verstrekken van een eenmalige energietoeslag van € 1.300,00 als richtbedrag. Wij volgen deze aanbeveling. In het belang van een snelle uitvoerbaarheid van de regeling, wordt het vermogen van aanvragers buiten beschouwing gelaten. Het recht op energietoeslag wordt dus alleen bepaald op basis van het (huishoud)inkomen. Hierbij is, in aansluiting op de aanbevelingen vanuit het Rijk, gekozen voor een inkomensgrens van 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. Op grond van artikel 31, lid 2 van de Participatiewet wordt een aantal inkomensbestanddelen, zoals huur- en zorgtoeslag, genoemd die niet tot de middelen worden gerekend. Deze inkomensbestanddelen worden dan ook voor het recht op eenmalige energietoeslag buiten beschouwing gelaten. De energietoeslag is een vorm van bijstand en dus gelden ook de uitsluitingsgronden van de bijstand. Het recht op de energietoeslag is op grond van artikel 11 van de wet beperkt tot Nederlanders en daar aan gelijkgestelden, die woonachtig zijn- en rechtmatig verblijven in Nederland. Daarnaast zijn ook de uitsluitingsgronden van artikel 12 met betrekking tot de onderhoudsplicht ouders van kinderen 18 tot en met 20 jaar en artikel 13 met betrekking tot uitsluiting van bijstand van de wet van toepassing. Verder worden in deze beleidsregels personen die niet zelfstandig verantwoordelijk zijn voor de betaling van de energiekosten uitgesloten van de energietoeslag. Dit kan onder meer gelden voor personen die verblijven in een inrichting in de zin van de wet, personen met een briefadres en kamerbewoners. Op deze wijze komt de financiële ondersteuning terecht bij huishoudens die daadwerkelijk zelfstandig de kosten van energie hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel