Naar hoofdinhoud

Artikel 2.

Wettelijke regelgeving

Onderdeel van Beleidsregel intrekken omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen

2.1 Artikel 2.33 lid 2 sub a en b en 5.19 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De Wet algemene bepalingen en omgevingsrecht (Wabo) kent een specifieke regeling voor het intrekken van omgevingsvergunningen. Het gaat om een limitatief vormgegeven stelsel. Dit betekent dat de gronden waarop een omgevingsvergunning kan worden ingetrokken uitputtend in de wet (artikel 5.19 en 2.33 Wabo) zijn opgesomd. Buiten de in deze wet genoemde gronden, kan niet tot het intrekken van een omgevingsvergunning worden overgegaan. De belangrijkste intrekkingsgronden zijn hieronder kort samengevat: onjuiste of onvolledige opgave van de gegevens als bedoeld in artikel 5.19 lid 1 sub a. het niet voldoen aan een aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften als bedoeld in artikel 5.19 lid 1 sub c. het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende 26 weken onderscheidelijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. op verzoek van de vergunninghouder; artikel 2.33 lid 2 sub b. indien gevaar bestaat dat de omgevingsvergunning voor de activitet bouwen gebruikt wordt om criminele activiteiten te ontplooien of te continueren, dan wel ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd (artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur: Wet BIBOB). Het intrekken van een omgevingsvergunning is een discretionaire bevoegdheid, dat wil zeggen dat als één van de gronden van bovenstaande artikelen van toepassing is, burgemeester en wethouders kunnen intrekken maar daartoe niet verplicht zijn. Hierna zullen met name de intrekkingsgronden a, b en c van de bovenstaande van artikelen besproken worden, omdat deze gronden in de praktijk het meeste voorkomen. 2.1.1 Artikel 5.19 lid 1 sub a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De omgevingsvergunning kan op deze grond worden ingetrokken als aannemelijk is dat de omgevingsvergunning niet zou zijn verleend als de gegevens wel juist of volledig waren geweest. Er dient dus een causaal verband te zijn tussen de aanlevering van onjuiste of gebrekkige gegevens en de beslissing van burgemeester en wethouders. 2.1.2 Artikel 5.19 lid 1 sub c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Ingevolge dit artikel zijn burgemeester en wethouders bevoegd om aan een omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. Indien dergelijke voorschriften (bijvoorbeeld sloop van reeds bestaande bouwsels) niet worden nagekomen, dan kan de omgevingsvergunning worden ingetrokken. 2.1.3 Artikel 2.33 lid 2 sub a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op grond van artikel 2.33 lid 2 sub a, zijn burgemeester en wethouders bevoegd om een verleende omgevingsvergunning in te trekken indien binnen 26 weken - na het onherroepelijk worden daarvan - niet is aangevangen met het bouwen. Hetzelfde geldt ingeval de reeds gestarte werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken hebben stilgelegen. Deze intrekkingsgronden komen vaak aan de orde als een gemeente het planologische regime heeft gewijzigd dan wel wil wijzigen en een eenmaal in het verleden vergund bouwplan daar niet meer in past. Ook komt het voor dat de bouwregelgeving dusdanig is gewijzigd, zodat de oude omgevingsvergunningen niet meer voldoen aan de huidige voorschriften. 2.2 Artikel 2.5 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, intrekken omgevingsvergunning Bij het verlenen van een omgevingsvergunning in twee fasen bestaat het risico dat een bouwplan dat in de eerste fase instemming kreeg, door wijziging van de ruimtelijke voorschriften in de loop der tijd niet meer voldoet aan de voorschriften waaraan in de eerste fase is getoetst. Volgens artikel 2.5 lid 5 sub a en b, kunnen burgemeester en wethouders de omgevingsvergunning eerste fase intrekken indien niet binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van die beslissing een aanvraag voor de tweede fase is ingediend. 2.3 Moment van aanvang bouwwerkzaamheden In het voorgaande is al een aantal malen aangehaald dat, op grond van artikel 2.33 lid 2 sub a, burgemeester en wethouders bevoegd zijn een verleende omgevingsvergunningvergunning in te trekken indien binnen 26 weken – na het onherroepelijk worden daarvan – niet met het bouwen is begonnen c.q. de bouw heeft stil gelegen. De vraag is nu wanneer er sprake is van “begonnen met bouwen”, hetgeen op diverse wijzen uitgelegd kan worden. Wanneer men een aannemer een offerte heeft laten laten uitbrengen, de gemeente het peil heeft laten bepalen, bouwplanken heeft geplaatst en voorts de aanwezige grasmat heeft verwijderd dan kunnen deze activiteiten niet als een begin van bouwwerkzaamheden worden beschouwd. Met het begrip bouwen als bedoeld in artikel 1 sub a van de Woningwet, dient te worden verstaan dat van bouwen eerst sprake is indien een constructieve handeling wordt verricht waarbij een constructie van enige omvang wordt gemaakt die tevens plaatsgebonden is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel