Indien een boom die volgens de geldende criteria moet worden herplant niet op dezelfde plek of in de directe omgeving kan worden herplant, treedt het zogenaamde compensatiebeginsel in werking.
Op grond van dit beginsel moet met inachtneming van de herplantvoorwaarden fysieke compensatie plaatsvinden zo dicht mogelijk in de buurt waar de boom/bomen gerooid is/zijn. Aangegeven moet worden waar de boom wordt geplant en de boomsoort (indien er sprake is van een afwijkende boomsoort). Voor monumentale en waardevolle (toekomst) bomen, die als zodanig zijn aangewezen op de lijst die door het college is vastgesteld, zal geen omgevingsvergunning (kap) worden afgegeven, tenzij de veiligheid in het geding is. Hieraan ter grondslag dient een Boomeffectanalyse (BEA) te liggen. (bijlage 1)