Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.1

Artikel 2.1.1

Grondverwerving

Onderdeel van Beleidskader Strategisch Grondbeleid Haarlemmermeer 2019-2023

In bepaalde gevallen blijft grondverwerving het meest geëigende instrument om een gewenste ontwikkeling tot stand te brengen. De afweging om wel of niet tot grondverwerving over te gaan vergt in ieder afzonderlijk geval een strategische afweging waarbij meerdere factoren een rol spelen: de noodzaak van de ontwikkeling ter plaatse; de eigendomssituatie ter plaatse; de prijsstelling; de marktsituatie; eventuele alternatieven. Op grond hiervan wordt ambtelijk een verwervingsstrategie opgesteld. In de verwervingsstrategie worden naast de kansen ook de risico’s in beeld gebracht. Risico’s zijn bijvoorbeeld het moment van verwerving, het ontwikkeltempo en de investeringen die met een ontwikkeling gepaard gaan. De verwervingsstrategie wordt bestuurlijk afgestemd en de daaruit volgende verwerving(en) worden onder voorbehoud van bestuurlijke goedkeuring gedaan. Minnelijke verwerving Verwerving vindt in de regel op minnelijke wijze plaats. Het grootste gedeelte van de recent verworven gronden is op deze wijze verworven. Voor het geval de onderhandelingen niet tot het gewenste resultaat leiden, beschikt de gemeente over een aantal instrumenten die haar in de gelegenheid stellen om de regie op de toekomstige ontwikkeling te voeren, waaronder de Wet voorkeursrecht gemeenten en de Onteigeningswet. Voorkeursrecht De Wet voorkeursrecht gemeenten biedt gemeenten de mogelijkheid om in bepaalde gevallen een voorkeursrecht te vestigen. Een voorkeursrecht verschaft gemeenten het eerste recht van koop: de eigenaar kan dan pas tot vervreemding aan een derde overgaan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld de betreffende grond te kopen. De gemeente beslist of zij de grond al dan niet wil kopen. Door middel van het vestigen van een voorkeursrecht verstevigt de gemeente aldus haar positie op de grondmarkt en gaat zij grondspeculatie tegen. Het voorkeursrecht is een passief instrument: eigenaren zijn niet verplicht tot verkoop. Het voorkeursrecht is daarom vooral van betekenis in combinatie met het actieve instrument onteigening: door middel van het vestigen van een voorkeursrecht wordt voorkomen dat gronden worden overgedragen aan partijen die zich kunnen beroepen op het zelfrealisatiebeginsel. Een succesvol beroep op zelfrealisatie staat namelijk aan onteigening in de weg. Onteigening De Onteigeningswet biedt de gemeente de mogelijkheid om in het algemeen belang te onteigenen. Omdat onteigening een inbreuk maakt op het eigendomsrecht, een fundamenteel recht, en daarmee een ingrijpend instrument is, is onteigening alleen mogelijk onder strikte wettelijke voorwaarden en is onteigening met tal van procedurele rechtswaarborgen voor de eigenaar omkleed. De onteigeningsprocedure bestaat uit een administratieve en een gerechtelijke fase. Deze fasen dienen voorafgegaan te worden door een minnelijke fase. Deze fasen dienen uiterst zorgvuldig en volgtijdelijk te worden doorlopen. Pas als gebleken is dat minnelijke verwerving niet mogelijk is kan de administratieve fase worden gestart. In deze fase wordt door de Kroon bij Koninklijk Besluit het besluit tot onteigening genomen. Na de administratieve fase volgt de gerechtelijke fase. In deze fase wordt de onteigening door de rechter uitgesproken en de schadeloosstelling door de rechter vastgesteld. Uitgangspunt daarbij is volledige schadeloosstelling. Pas nadat alle fasen zijn doorlopen en de onteigening de gerechtelijke toets heeft doorstaan, wordt het onteigeningsvonnis in de openbare registers ingeschreven en kan tot uitvoering worden overgegaan. Voordat door de gemeente tot onteigening wordt overgegaan, is het uiterste gedaan om tot minnelijke verwerving te komen. Het instrument wordt derhalve slechts zeer beperkt toegepast.

Rechtspraak bij dit artikel