Naar hoofdinhoud

Paragraaf 2

Artikel 7

Tijdelijke huisvesting bij agrarische bedrijven

Onderdeel van Beleidsregel tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten gemeente Dongen 2022

Een afwijking ten behoeve van het huisvesten van arbeidsmigranten wordt slechts toegestaan indien wordt voldaan aan de algemene voorwaarden en de volgende specifieke voorwaarden: 1. Huisvesting vindt plaats ter plaatse van de bestemming Agrarisch. 2. Aangetoond wordt dat afwijking noodzakelijk is vanuit een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte op het betreffende agrarisch bedrijf. Het bevoegd gezag wint omtrent de voorwaarde inzake de tijdelijke grote arbeidsbehoefte op het betreffende agrarische bedrijf advies in bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen. 3. In een bedrijfswoning is huisvesting van arbeidsmigranten alleen toegestaan in combinatie met de functie van bedrijfswoning. 4. Huisvesting van arbeidsmigranten mag geen aanzienlijke nadelige effecten hebben voor bedrijven in de omgeving. 5. De realisatie van huisvesting wordt uitsluitend toegestaan ten behoeve van arbeidsmigranten die werkzaam zijn op de agrarische bedrijfslocatie waar ze tijdelijk zijn gehuisvest en is in principe alleen bedoeld voor het huisvesten van deze werknemers. Alleen in teeltluwe periodes, aan te geven door de huisvester, mogen de huisvestingsplaatsen gebruikt worden voor het huisvesten van werknemers van andere, uitsluitend agrarische, bedrijven, gevestigd in de gemeente Dongen. 6. De huisvesting vindt plaats binnen het bouwvlak, in gebouwde bebouwing of in woonunits, met dien verstande dat: a. de gezamenlijke oppervlakte van een inpandige voorziening maximaal 500 m2 bedraagt; b. woonunits zijn toegestaan binnen het agrarisch bouwvlak, tot een oppervlakte die nodig is om te voorzien in de behoefte van het agrarische bedrijf. 7. De bouwhoogte van de woonunits bedraagt maximaal 3,0 meter. 8. De afstand tussen woonunits en de perceelgrenzen bedraagt minimaal 5 meter. 9. Er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, wat in ieder geval inhoudt dat de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing voorafgaand aan verlening van de omgevingsvergunning in een privaatrechtelijke overeenkomst worden vastgelegd. 10. Afwijking mag niet leiden tot: a. onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van omliggende bestemmingen en functies; b. een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte. 11. Met de initiatiefnemer wordt een planschadeovereenkomst afgesloten waarbij afspraken worden gemaakt over eventuele planschade.

Rechtspraak bij dit artikel