Naar hoofdinhoud

Artikel I

Artikel I

Onderdeel van Beleidsregels invordering Someren 2015

De Beleidsregels Invordering Someren 2015 worden als volgt ingevuld: ALGEMEEN 1. Algemeen Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot: het opschorten van het recht op bijstand op grond van artikel 54, eerste lid van de Participatiewet, van het recht op uitkering op grond van artikel 17, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 17, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit op grond van artikel 54, derde lid. Participatiewet, indien de bijstand ingevolge de Participatiewet anderszins dan bedoeld in de eerste volzin van artikel 54, derde lid, Participatiewet ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit op grond van artikel 17, derde lid, IOAW en artikel 17, derde lid, IOAZ; het intrekken van het toekenningsbesluit op grond van artikel 54, vierde lid. Participatiewet, artikel 17, vierde lid, IOAW en artikel 17, vierde lid, IOAZ; het terugvorderen van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand zoals neergelegd in de artikelen 58, met uitzondering van het eerste lid, 59, 60 en 60a van de Participatiewet of van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering zoals neergelegd in de artikelen 25, met uitzondering van het eerste lid, 26, en 28 IOAW en in de artikelen 25, met uitzondering van het eerste lid, 26 en 28 IOAZ. OPSCHORTING, HERZIENING EN INTREKKING 2. Opschorting, herziening of intrekking van het toekenningsbesluit Het recht op bijstand ingevolge de Participatiewet wordt opgeschort indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent. Een besluit tot toekenning van bijstand ingevolge de Participatiewet wordt herzien of ingetrokken indien: het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid Participatiewet, of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand; anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Het recht op uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ wordt opgeschort indien de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek. Een besluit tot toekenning van uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ wordt herzien of ingetrokken Indien: een gedraging als bedoeld in artikel 20, eerste lid, IOAW en in artikel 20, eerste lid, IOAZ, of het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, IOAW en in artikel 13, eerste lid, IOAZ of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering; anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. TERUGVORDERING 3. Terugvordering Bijstand ingevolge de Participatiewet of uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze beleidsregels. 4. Ten onrechte verleende bijstand of uitkering Het college vordert bijstand ingevolge de Participatiewet terug van de belanghebbende voor zover deze bijstand: anders dan bedoeld in artikel 58, eerste lid. Participatiewet, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen; voortvloeit uit gestelde borgtocht; ingevolge artikel 52 Participatiewet bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat; anderszins onverschuldigd is betaald en de belanghebbende dit redelijkerwijs kon begrijpen; anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: de belanghebbende met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 Participatiewet beschikt of kan beschikken; bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming. terugvordering als bedoeld onder e. vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering. van de in artikel 58, vijfde lid tweede volzin Participatiewet neergelegde bevoegdheid tot bruto-terugvordering moet worden afgezien, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en deze niet kan worden verweten dat de vordering niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Het college vordert een uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ terug van de belanghebbende indien: Deze uitkering als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17, derde of vierde lid, IOAW en in artikel 17, derde of vierde lid IOAZ of artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ, anders dan bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW, of artikel 25, eerste lid, IOAZ, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, blijkt dat de belanghebbende over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ is verleend, later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden. van de in artikel 25, vijfde lid tweede volzin IOAW en in artikel 25, vijfde lid tweede volzin IOAZ neergelegde bevoegdheid tot bruto-terugvordering moet worden afgezien, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en deze niet kan worden verweten dat de vordering niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. 5. Terugvordering van gezinsleden Onverminderd het bepaalde onder beleidsregel nummer 4 worden kosten van bijstand ingevolge de Participatiewet of uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ, indien de bijstand of de uitkering aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden teruggevorderd. Indien de bijstand ingevolge de Participatiewet als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 Participatiewet, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 Participatiewet, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Indien de bijstand terecht als gezinsbijstand aan gehuwden is verleend, maar de belanghebbende toch de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van de bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 Participatiewet, bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. Indien de uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ met inachtneming van artikel 3 IOAW of artikel 3 IOAZ, had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 13 IOAW of in artikel 13 IOAZ, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kan de gedurende het betrokken tijdvak ten onrechte verleende uitkering mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens inkomen bij de verlening van de uitkering rekening had moeten worden gehouden. de onder a. b. c. en d. genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand of de kosten van uitkering die worden teruggevorderd. 6. Afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit Het college ziet geheel of gedeeltelijk af van terugvordering als bedoeld in artikel 58, achtste lid, Participatiewet, of artikel 25, zevende lid, IOAW/IOAZ, indien daarvoor redenen aanwezig zijn; Onverminderd het eerste lid ziet het college, behalve wanneer er sprake is van terugvordering als bedoeld in artikel 58, eerste lid, Participatiewet, of artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, af van terug- en invordering indien: het terug c.q. in te vorderen bedrag lager is dan € 100,00 en het bedrag niet verrekend kan worden met een lopende uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ; sprake is van een restantvordering beneden € 100,00. De vordering wordt buiten invordering gesteld nadat is vastgesteld dat een minnelijk traject niet meer tot betalingen leidt; er sprake is van dringende redenen (bijzondere omstandigheden). KWIJTSCHELDING 7. Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek In afwijking van beleidsregel nummer 4 en 5 kan het college besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand ingevolge de Participatiewet of uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ, behalve wanneer er sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand als bedoeld in artikel 58, eerste lid. Participatiewet, of uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, indien: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in beleidsregel 8 onder a. bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en de vordering van het college wegens teruggevorderde bijstand of uitkering tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang, en de aanpak van de schuldenproblematiek wordt uitgevoerd door een instantie aangesloten bij de NVVK (Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet). 8. Afzien van kwijtschelding wegens schuldenproblematiek De inhoud van deze beleidsregel is opgenomen in beleidsregel nummer 13. 9. Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van terugvordering wegens schuldenproblematiek Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt niet genomen voordat een schuldregeling tot stand is gekomen. 10. Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: de belanghebbende zijn schuld aan het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. 11. Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting In afwijking van beleidsregel nummer 4, en wanneer er geen sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand als bedoeld in artikel 58, eerste lid. Participatiewet, of uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende: gedurende vijfjaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; gedurende vijfjaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; gedurende vijfjaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; een bedrag, overeenkomend met tenminste 50% van de restsom in één keer aflost; of een schuld heeft waarvan het saldo lager is dan het kruimelbedrag zoals bedoeld in richtlijn B122. Indien de persoon van wie de kosten van bijstand of uitkering zijn teruggevorderd voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 58, zevende lid. Participatiewet, of in artikel 25, zesde lid, IOAW/IOAZ, kan het college besluiten af te zien van verdere terugvordering van: bijstand als bedoeld in het eerste lid van artikel 58 Participatiewet of uitkering als bedoeld in het eerste lid van artikel 25 IOAW/IOAZ; ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onder a. Participatiewet, of uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2012, wanneer het terugvorderingsbesluit genomen is voor 1 januari 2013. 12. Verkorting van de periode van voldoen aan betalingsverplichting De in beleidsregel nummer 11 onder 1 sub a. en b. genoemde termijn is drie jaar indien het de aflossing van leenbijstand betreft, met uitzondering de leenbijstand ten behoeve van schulden. 13. Afzien van kwijtschelding wegens schuldenproblematiek dan wel na voldoen aan betalingsverplichting Van kwijtschelding als bedoeld in beleidsregel nummer 7 en als bedoeld in beleidsregel nummer 11 wordt afgezien indien: de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden; of de vordering voortvloeit uit hetgeen is bepaald in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, en artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a. Participatiewet, tenzij het restant kleiner is dan € 3.500,00 netto. INVORDERING VAN TERUGGEVORDERDE BIJSTAND INGEVOLGE DE PARTICIPATIEWET OF UITKERING INGEVOLGE DE IOAW OF DE IOAZ OF VAN EEN OPGELEGDE BESTUURLIJKE BOETE 14. Boetebesluit In de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete vermeldt het college in elk geval: de naam van de overtreder; de gronden van het boetebesluit; het bedrag van de boete; de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de bestuurlijke boete dient te betalen; en op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd. 15. Terugvorderingsbesluit In de beschikking tot terugvordering van bijstand ingevolge de Participatiewet of uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ vermeldt het college in elk geval: tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen bijstand of uitkering wordt teruggevorderd; de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de ten onrechte ontvangen bijstand of uitkering dient terug te betalen; en op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd. 16. Wettelijke rente Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de schuldenaar wettelijke rente in rekening te brengen zoals bedoeld in artikel 4:98 Awb. 17. Betaling Wijze en tijdstip van betaling De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt (artikel 4:87 Awb). De betaling door de schuldenaar geschiedt door bijschrijving op de daartoe bestemde bankrekening. Als tijdstip van betaling geldt de datum waarop de rekening van het college wordt gecrediteerd (artikel 4:89, eerste en derde lid Awb). Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling. Bij betaling aan de kas ontvangt de schuldenaar een kwitantie (artikel 4:90 Awb). De afboeking van de betaling De afboeking van betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler (artikel 4:92, tweede lid Awb). Bij betalingen waarvoor geen bestemming is gegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) wordt nader bezien op welke openstaande vordering de betaling wordt afgeboekt, daarbij wordt rekening gehouden met een vordering die betrekking heeft op het lopende kalenderjaar en die nog niet is gebruteerd ingevolge artikel 58, vijfde lid Participatiewet of artikel 25, vierde lid IOAW en artikel 25, vijfde lid IOAZ). De kosten van betaling De kosten van betaling (bijvoorbeeld porto- en bankkosten) komen voor rekening van de schuldenaar (artikel 4:91, eerste lid Awb). 18. Uitstel van betaling Invulling bevoegdheid tot verlenen van uitstel van betaling (artikel 4:94 Awb). Het college kan op verzoek van de schuldenaar of ambtshalve uitstel van betaling verlenen, indien naar het oordeel van het college het uitstel bijdraagt tot sociale activering, arbeidsinschakeling, de oplossing van een schuldenproblematiek of het overbruggen van de periode van bezwaar of beroep. Ook kan uitstel van betaling worden verleend indien er sprake is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk maken. Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd. De bevoegdheid tot verrekening (artikel 4:93 Awb) blijft echter bestaan. De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in de beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals een betalingsregeling of een verplichting tot het stellen van zekerheid. Weigeren van uitstel van betaling Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als: De medewerking van de verzoeker aan het college naar het oordeel van het college onvoldoende is; Onjuiste gegevens worden verstrekt; De gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt; De gevraagde zekerheid niet wordt gesteld; De waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde vordering te betalen; De berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden; De betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn uitstrekt; De betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling geen uitkomst zal bieden; Sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een vordering in verband met betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen een terugvorderings- of verhaalsbesluit, terwijl gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee de vordering kon worden betaald; Indien de schuldenaar reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen. Het college is verplicht de schuldenaar in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen voordat hij het verzoek om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst (artikel 4:7 Awb). Als het verzoek om uitstel wordt afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het verzoek is besloten. Intrekken of wijzigen beschikking tot uitstel van betaling (artikel 4:96 Awb) In de volgende gevallen zal de beschikking tot uitstel van betaling worden gewijzigd of ingetrokken: Indien de voorschriften niet worden nageleefd; Indien de schuldenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid; of Indien veranderde omstandigheden zich verzetten tegen de voortduring van het uitstel. 19. Aanmaning Termijn voor aanmaning en van betaling na aanmaning Indien de schuldenaar in verzuim is, zoals bedoeld in artikel 4:97 Awb, wordt binnen twee weken na constatering van het verzuim, of op enig ander tijdstip, een schriftelijke aanmaning verzonden, waarin de schuldenaar wordt gemaand om binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is verzonden, tot betaling over te gaan (artikel 4:112, eerste lid Awb). Gevolgen niet nakoming aanmaning De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze zal worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen (artikel 4:112, derde lid Awb). Aanmaningsvergoeding Het college brengt bij de schuldenaar geen aanmaningsvergoeding als bedoeld in artikel 4:113 Awb in rekening. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan. 20. Dwangbevel Tijdstip van uitvaardigen dwangbevel Binnen een maand of op enig later tijdstip nadat niet (volledig) binnen de aanmaningstermijn is betaald, vaardigt het college een dwangbevel uit (artikel 60, tweede lid Participatiewet of artikel 28, eerste lid, IOAW en artikel 28, eerste lid, IOAZ, en artikel 4:117, eerste lid Awb). Bekendmaking van het dwangbevel Het college maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen (artikel 60, vijfde lid. Participatiewet of artikel 28, vijfde lid, IOAW en artikel 28, vijfde lid, IOAZ). De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling binnen een week vindt plaats door het ter post bezorgen door het college van een voor de schuldenaar bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door het college ter aangetekende verzending aanbieden van het afschrift aan TNT-Post. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. Indien betekening per post niet mogelijk of wenselijk is, bijvoorbeeld omdat beslag op goederen of beslag op een bankrekening de voorkeur verdient, wordt de betekening overgelaten aan de deurwaarder, zoals bedoeld in artikel 4:123 Awb. Kosten dwangbevel. De kosten van het dwangbevel, gesteld op een bedrag van € 25,--, worden bij de schuldenaar in rekening gebracht (artikel 4:119 en artikel 4:120 Awb). Bundeling vorderingen Indien bij dezelfde schuldenaar meerdere vorderingen tot een dwangbevel leiden, worden de verschillende vorderingen zoveel mogelijk in één dwangbevel gebundeld (artikel 4:119, tweede lid Awb). Tenuitvoerlegging dwangbevel Het dwangbevel levert een executoriale titel op (artikel 4:116 Awb). Na betekening aan de schuldenaar, zal het college het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen, indien niet binnen de gestelde termijn aan het bevel tot betaling volledig is voldaan. 21. Verrekening en beslaglegging Invulling bevoegdheid tot verrekening (artikel 4:93 Awb) Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in artikel 58, eerste lid. Participatiewet, of kosten van uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, worden teruggevorderd dan wel verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a Participatiewet of artikel 20a IOAW/IOAZ, algemene bijstand ingevolge de Participatiewet, of een uitkering op grond van de IOAW/IOAZ ontvangt, verrekent het college op grond van artikel 60, vierde lid. Participatiewet, of artikel 28, tweede lid, IOAW/IOAZ, die kosten van bijstand of uitkering, of bestuurlijke boete met die algemene bijstand of uitkering. Het college verrekent hierbij eerst de bestuurlijke boete en vervolgens de kosten van bijstand of uitkering. Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58, met uitzondering van het eerste lid, en 59 Participatiewet of kosten van uitkering als bedoeld in de artikelen 25, met uitzondering van het eerste lid, en 26 IOAW en in de artikelen 25, met uitzondering van het eerste lid, en 26 IOAZ worden teruggevorderd, algemene bijstand ingevolge de Participatiewet, of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ, ontvangt, is het college ingevolge artikel 60, derde lid Participatiewet of ingevolge artikel 28, derde lid IOAW en artikel 28, derde lid IOAZ bevoegd tot verrekening van die kosten van bijstand of die kosten van uitkering met die algemene bijstand of uitkering. Van deze bevoegdheid maakt het college zoveel mogelijk gebruik en vindt plaats na de verrekening genoemd onder ad 1. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van verrekening. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot verrekening van in de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand als bedoeld in artikel 58, vierde lid, Participatiewet. Invulling bevoegdheid tot pseudoverrekening met een andere gemeente Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 Participatiewet of kosten van uitkering als bedoeld in de artikelen 25 en 26 IOAW en in de artikelen 25 en 26 IOAZ worden teruggevorderd, dan wel die verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a Participatiewet of artikel 20a IOAW/IOAZ, algemene bijstand ingevolge de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ van een andere gemeente ontvangt, betaalt dat college ingevolge artikel 60a, eerste lid Participatiewet of ingevolge artikel 28, vierde lid IOAW en artikel 28, vierde lid IOAZ, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, het bedrag van de terugvordering of de bestuurlijke boete uit de algemene bijstand of uitkering op verzoek aan het college dat de kosten van bijstand terugvordert of de bestuurlijke boete heeft opgelegd. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van deze verrekening. Invulling bevoegdheid tot pseudoverrekening met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 Participatiewet of kosten van uitkering als bedoeld In de artikelen 25 en 26 IOAW en in de artikelen 25 en 26 IOAZ worden teruggevorderd, dan wel die verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a Participatiewet of artikel 20a IOAW/IOAZ, een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg of de Toeslagenwet of inkomensondersteuning ontvangt op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingevolge artikel 60a, tweede lid Participatiewet of ingevolge artikel 28, vierde lid IOAW en artikel 28, vierde lid IOAZ, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, het bedrag van de terugvordering of de bestuurlijke boete uit die uitkering of inkomensondersteuning op verzoek aan het college dat de kosten van bijstand terugvordert of de bestuurlijke boete heeft opgelegd. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van deze verrekening. Invulling bevoegdheid tot pseudoverrekening met de Sociale verzekeringsbank Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 Participatiewet of kosten van uitkering als bedoeld in de artikelen 25 en 26 IOAW en in de artikelen 25 en 26 IOAZ worden teruggevorderd, dan wel die verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a Participatiewet of artikel 20a IOAW/IOAZ, een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet van de Sociale verzekeringsbank, betaalt de Sociale Verzekeringsbank ingevolge artikel 60a, derde lid Participatiewet of ingevolge artikel 28, vierde lid IOAW en artikel 28, vierde lid IOAZ, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, het bedrag van de terugvordering of de bestuurlijke boete uit die uitkering op verzoek aan het college dat de kosten van bijstand terugvordert of de bestuurlijke boete heeft opgelegd. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van deze verrekening. Verrekening vordering van een belanghebbende op het college Wanneer de belanghebbende een vordering heeft op het college, zoals bijvoorbeeld een proceskostenvergoeding, wordt deze vordering op grond van artikel 60a, vierde lid. Participatiewet verrekend met een vordering van het college op de belanghebbende als bedoeld in artikel 58 en 59 Participatiewet. Aflossing bijstand in de vorm van een geldlening Indien de persoon aan wie bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend algemene bijstand ingevolge de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW, de IOAZ, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 ontvangt, zal het college overgaan tot verrekening van die geldlening met die algemene bijstand of uitkering (artikel 48, vijfde lid Participatiewet). Verrekening bestuurlijke boete bij recidive Een bestuurlijke boete bij recidive als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid. Participatiewet, wordt verrekend met de algemene bijstand ingevolge de Participatiewet, overeenkomstig de bepalingen in de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Helmond. Regels ten aanzien van verrekenen Ten aanzien van verrekenen hanteert het college de volgende regels: Verrekening van een bestuurlijke boete gaat voor de verrekening van ten onrechte genoten bijstand op grond van de Participatiewet of uitkering op grond van de IOAW/IOAZ; Er wordt niet tot verrekening over gegaan, indien de middelen van de schuldenaar afdoende zijn om de vordering in één keer te betalen; De schuldenaar wordt met een kennisgeving op de hoogte gesteld van het feit dat een vordering op grond van een terugvorderingsbesluit op grond van artikel 58 en 59 Participatiewet of artikel 25 en 26 IOAW of artikel 25 en 26 IOAZ of op grond van artikel 48, vijfde lid Participatiewet, of een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a Participatiewet of artikel 20a IOAW/IOAZ, met zijn of haar bijstand of uitkering wordt verrekend, en van de hoogte van het bedrag van de verrekening (artikel 4:93, tweede lid Awb); De schuldenaar dient door verrekening nooit te beschikken over een inkomen dat minder is dan de voor hem of haar geldende beslagvrije voet (artikel 4:93, vierde lid Awb), met uitzondering van de bepaling zoals opgenomen in artikel 2 van de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Helmond 2013; Een verleend uitstel tot betaling staat verrekening niet in de weg (artikel 4:93, vijfde lid Awb); De gehele reeds op het moment van verrekening gereserveerde vakantietoeslag ingevolge bijstandsverlening of uitkeringsverstrekking wordt verrekend met de vordering, tenzij het ontstaan van de vordering de schuldenaar niet te verwijten valt. Beslaglegging Een executoriaal beslag vindt plaats overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Wanneer er sprake is van zowel een vordering in verband met een ten onrechte ontvangen bijstand op grond van de Participatiewet of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ als een vordering in verband met een opgelegde bestuurlijke boete op grond van de Participatiewet of op grond van de IOAW/IOAZ, wordt een beslag zowel gelegd ten aanzien van de ten onrechte ontvangen bijstand op grond van de Participatiewet of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ als ten aanzien van de opgelegde bestuurlijke boete op grond van de Participatiewet of op grond van de IOAW/IOAZ. Ontvangsten worden eerst afgeboekt op de vordering in verband met een opgelegde bestuurlijke boete en vervolgens op de ten onrechte ontvangen bijstand op grond van de Participatiewet of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ. Wanneer er door een deurwaarder ook beslag gelegd is op het inkomen van de belanghebbende, en de deurwaarder wil daarom delen in het beslag, worden, in verband met de preferentie van de vordering van het college (artikel 60, zevende lid. Participatiewet, en artikel 30, eerste lid, IOAW/IOAZ) ontvangsten eerst afgeboekt op de ten onrechte ontvangen bijstand op grond van de Participatiewet of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ, en vervolgens op de vordering in verband met een opgelegde bestuurlijke boete. De kosten van invordering middels beslaglegging komen voor rekening van de schuldenaar (artikel 4:120 Awb). Deze kosten worden, conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten, als volgt gesteld. Schuldbedrag In rekening te brengen kosten € 0,00 tot € 500,00 € 40,00 € 500,00 tot € 1.000,00 € 75,00 € 1.000,00 tot € 2.500,00 € 150,00 € 2.500,00 en meer € 300,00 22. Verjaring Ten aanzien van verjaring van de vordering zijn de artikelen 4:104 tot en met 4:111 Awb van toepassing. 23. Bescherming van de beslagvrije voet Indien de schuldenaar op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in het kader van invordering door middel van verrekening of dwangbevel de bescherming van de beslagvrije voet geniet, vervalt deze bescherming indien de schuldenaar zijn inlichtingenplicht, zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid Participatiewet of artikel 27 IOAW en artikel 27 IOAZ of artikel 18a, achtste lid. Participatiewet, of artikel 20a, achtste lid, IOAW/IOAZ, niet of niet behoorlijk nakomt (artikel 60, zesde lid Participatiewet en artikel 28, zesde lid IOAW en artikel 28, zesde IOAZ). Wanneer de gevraagde informatie alsnog wordt verstrekt, wordt de beslagvrije voet naar de toekomst toe aangepast. 24. Nadere Specificatie Een nadere specificatie van bovenstaande beleidsregels is opgenomen in Bijlage 1 "Nadere specificering invordering ten onrechte verleende bijstand ingevolge de participatiewet, uitkering ingevolge de IOAW en IOAZ en bestuurlijke boete".

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel