Naar hoofdinhoud
Distributieleidingen liggen zoveel mogelijk in het trottoir. Rioleringen, warmtenetten en transportleidingen worden in het overige deel van de openbare weg gesitueerd. De volgorde van kabels en leidingen vanaf de perceelsgrens: telecommunicatie; elektra ls; water; gas; elektra ms warmte; riool. De onderlinge afstand tussen kabels en/of leidingen is minimaal 0,35 m. De afstand vanaf de perceelsgrens tot aan de eerste discipline is minimaal 0,25 m. In bermen langs wegen moet de afstand van de ligging van de kabels en/of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk zijn aan de diepteligging ervan. Distributie- en/of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen een afstand van 3,00 m vanaf bomen en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- en/of mutatiepunten dienen bij voorkeur geplaatst te worden in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen. Bij de bepaling van het tracé moet rekening gehouden worden met bestaande bovengrondse voorzieningen, bomen of andere groenvoorzieningen (zie de bomenposter,bijlage 10.1).

Rechtspraak bij dit artikel