Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.1

Aanpak van kleine ergernissen

Onderdeel van Handhavingsbeleidsplan

Kleine ergernissen spelen bij onze inwoners een grote rol in de beleving van leefbaarheid en veiligheid. Ze zullen ook altijd blijven bestaan en dus ook altijd een rol blijven spelen. Onze burgers moeten daarom weten en voelen dat we aan hun kant staan en samen met hen willen werken aan verbetering. Dat vraagt dus om extra aandacht en specifieke inzet. Specifiek gaat het om de volgende handhavingstaken: 5 Afval 6 Hondenoverlast 8 Parkeren en wrakken 13 Diverse APV-aangelegenheden Het is niet zo dat toezicht en handhaving op zichzelf dé oplossing is voor de aanpak van kleine ergernissen. Er is nooit afdoende beschikbare capaciteit om alle overtredingen te kunnen constateren en er tegen op te treden. Bij sommige overtredingen is de kans om er handhavend tegen op te treden erg klein omdat het feitelijk waarnemen van álle overtredingen op het moment suprême onmogelijk is. En er zijn taken die aan een ander zijn toebedeeld en vragen om specifieke bevoegdheden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de overlast die ontstaat als gevolg van te hard rijden in bijvoorbeeld 30-km-zones en het rijden door rood licht. Maar belangrijker nog, er zijn vele interventies te bedenken die positief van invloed zijn op het spontane naleefgedrag die op zichzelf niets met sec handhaving te maken hebben en/of niet los van elkaar kunnen worden gezien. De ingezette integrale, gebiedsgerichte aanpak leent zich nog steeds uitstekend om een maximaal rendement te behalen vanuit de inzet die voorhanden is. Het is dus van belang de handhaving integraal te blijven inzetten, handhaving daarin onderdeel te laten uitmaken van de totaalketen en gebruik te maken van het brede scala van elementen van handhaving zoals uiteengezet in het integrale handhavingsproces. Kortom handhaving is onlosmakelijk verbonden (verweven) met alles wat van invloed kan zijn op het positief beïnvloeden van het spontane naleefgedrag. Dat vraagt dus om samenwerking. Om integraliteit. Met en tussen in- en externe partners, maar vooral met onze inwoners, bedrijven en instellingen. Om dat zo goed mogelijk tot stand te brengen werken we wijkgericht. zijn we, nog meer, proactief en zichtbaar aanwezig in de wijken. Daarin delen we ook verantwoordelijkheden door inwoners deelgenoot te maken van de aanpak van de overlast die zij zelf ervaren. Het is onze taak een klimaat te creëren dat elkaar aanspreken mogelijk maakt. Om dat voor elkaar te krijgen werken we wijk- en buurtgericht en projectmatig. Niet alleen vanuit toezicht en handhaving. Een goed middel dat we steeds vaker gebruiken is de wijkschouw, welke op verzoek van bewoners binnen een wijk worden gedaan Een wijkschouw is ook een vast onderdeel geworden van de wijkontwikkelingsplannen. We gaan dan samen met de bewoners de wijk in, luisteren naar wat er speelt in de wijk en wat zij belangrijk vinden en zoeken gezamenlijk naar oplossingen. Tijdens een schouw waarbij ook buitendienst, gebiedsregisseur, wijkagent en eventueel woningbouwcoöperatie afgevaardigd zijn, kunnen bewoners aangeven wat hun wensen zijn en welke kleine ergernissen zij ervaren. Dit zorgt ervoor dat bewoners zich gehoord voelen en het bevorderd begrip en samenwerking. De Boa’s kunnen dan gerichter handhaven en problemen worden integraal opgepakt. Elke Boa heeft, net als de buurtregisseurs, de buitenopzichters en de wijkagenten een eigen wijk. Dat maakt ze bekender, makkelijker aanspreekbaar en maakt het makkelijker om een eigen netwerk op te bouwen en onderhouden. En dat is belangrijk. Belangrijk om de toegankelijkheid en het vertrouwen te vergroten. Het moet ook leiden tot beter zicht op wat er leeft en speelt en het vergemakkelijken van de samenwerking. Zodat we kleine ergernissen projectmatiger aan kunnen pakken. Dat verhoogt het rendement van handhaving omdat we op die manier de samenwerking beter kunnen organiseren, de verantwoordelijkheid makkelijker kunnen delen door ook de rol van onze inwoners, als ook andere partners, zoals de buurtregisseurs, wijkagenten, buitenopzichters, jongerenwerkers, buurtbeheerders van woningcorporaties, etc., daarin te benoemen en een plek te geven. Samenwerking is daarbij belangrijk. De inwoners moeten zich verweven voelen met alle partners in de wijk. Hiermee creëer je ruimte voor initiatieven en op deze manier kunnen we in gezamenlijkheid dus gerichter interveniëren. Zowel en vooral preventief maar ook zeker repressief. De gemeente, door beleid, inrichtingen en (handhavings)inzet af te stemmen op de ergernissen die er spelen en aan te passen op het gedrag dat door en van onze inwoners wordt gevraagd. Gerichter, sneller en adequater door te pakken (zowel door de Boa’s als door de wijkagenten) wanneer situaties daar om vragen. Maar ook door te benoemen dat ook onze inwoners daar een rol in (moeten) hebben. Het is namelijk een gedeelde verantwoordelijkheid. De hiervoor beschreven aanpak heeft zich overigens ook al vertaald in ons lokale uitvoeringsprogramma voor 2021 en wordt als zodanig ingevoerd en moet ook tot uiting komen in de uitvoeringsprogramma’s voor de komende jaren. We hebben een goede basis van waarop we door kunnen ontwikkelen, door kunnen pakken en de gewenste resultaten kunnen behalen. Daar is en wordt de verdeling van de beschikbare formatie op ingericht.

Rechtspraak bij dit artikel