Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 7

Aflossingsverplichting

Onderdeel van Beleidsregels Terug- en invordering en verhaal

1.. Het college heeft de bevoegdheid om als aflossingsverplichting een betaling van de volledige vordering ineens op te leggen, dan wel ambtshalve een maandelijkse aflossingstermijn vast te stellen. 2.. Belanghebbende moet het bedrag binnen de gestelde termijn voldoen, maar als dit niet mogelijk is kan het college de aflossing als volgt bepalen: bij een inkomen gelijk aan of lager dan de bijstandsnorm, is de beslagvrije voet 95% van het netto inkomen inclusief vakantietoeslag en bedraagt de aflossingsverplichting 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag; bij een inkomen hoger dan de bijstandsnorm, wordt de beslagvrije voet en de hoogte van de aflossingsverplichting vastgesteld overeenkomstig de Wet Vereenvoudiging beslagvrije voet middels de uniforme rekentool. 3.. De aflossingsverplichting voor de belanghebbende waarvan de uitkering is beëindigd in verband met uitstroom naar werk, wordt tot 6 maanden na datum van beëindiging van de uitkering vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in lid 2 onder a.

Rechtspraak bij dit artikel