Naar hoofdinhoud

Artikel 21

Hoogte van de aflossing

Onderdeel van Beleidsregels krediethypotheek en pandrecht Someren 2016

Het maandbedrag aan aflossing wordt telkens voor een periode van twaalf maanden vastgesteld. Dit maandbedrag kan wegens gewijzigde financiële omstandigheden altijd tussentijds worden herzien. In beginsel bedraagt het maandelijks af te lossen bedrag l/120ste van de totale lening. Het af te lossen bedrag kan hoger zijn als het inkomen dit toelaat, of kan lager zijn als het inkomen niet toereikend is. Bij de feitelijke vaststelling van de maandelijkse aflossing in deze situatie wordt als volgt rekening gehouden met het aanwezige inkomen: de aflossing bedraagt de beschikbare financiële ruimte zoals voortvloeit uit de beleidsregels Invordering; de beschikbare financiële ruimte is het verschil tussen het netto-inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm die de belanghebbende zou hebben als hij recht zou hebben op bijstand. Verder worden noodzakelijke, voor eigen rekening komende, bijzondere bestaanskosten in mindering gebracht op het inkomen; als het netto-inkomen de toepasselijke bijstandsnorm niet overschrijdt, dan is de aflossing nihil. De maximale aflossingsperiode blijft ook in dit geval tien jaar. Als er rente verschuldigd is, dan wordt het bedrag aan rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Als de beschikbare financiële ruimte voldoende is, betaalt belanghebbende aflossing en rente. Is hij slechts in staat maandelijks een bedrag te betalen dat niet hoger is dan de verschuldigde maandrente, dan wordt dit bedrag aangemerkt als aflossing. De rente die daardoor niet wordt betaald, wordt bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Over deze bijgeschreven rente is de belanghebbende geen rente verschuldigd.

Rechtspraak bij dit artikel