In deze verordening wordt verstaan onder:
boom: een houtachtig, overblijvende gewas, daaronder mede verstaan minder vitaal of dood gewas, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 30 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;
vellen: kappen of rooien, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de waardevolle houtopstand tot gevolg kunnen hebben;
houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, meidoornhagen, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een heg;
waardevolle bomen of groep van waardevolle bomen: de als zodanig door het college aangegeven solitaire bomen of groep van bomen, zoals opgenomen op de lijst van waardevolle bomen;
bebouwde kom: het gebied binnen de gemeentegrens als bedoeld in artikel 4.1 onder a van de Wet Natuurbescherming, zoals vastgesteld bij het besluit van het college d.d. XXXX 2022;
college: college van burgemeester en wethouders;
iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);
iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus;
bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
dunning : velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand.