Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Afdeling 3.5

Artikel 3.55

Verbodsbepalingen en aanvraag sloopvergunning

Onderdeel van Verordening Fysieke Leefomgeving Huizen 2022

1.. Het is niet toegestaan een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of na te laten noodzakelijk onderhoud uit te voeren. 2.. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college, of in strijd met de voorschriften bij die vergunning: een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen; een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een manier dat het monument wordt aangetast, ontsierd of in gevaar gebracht. 3.. Het verbod en de vergunningplicht als bedoeld in het tweede lid gelden niet als: het college nadere regels stelt met betrekking tot de manier waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, of; de activiteit betrekking heeft op normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur, en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet wijzigt of; de activiteit alleen leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft overeenkomstig het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als genoemd sub 6.2 of uit een rapport blijkt op welke manier de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige monumenten worden beschermd. 4.. De vergunning als bedoeld in het tweede lid kan alleen worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet. Bij de beslissing houdt het college rekening met het gebruik van het monument. 5.. Het college kan aan de vergunning als bedoeld in het tweede lid voorschriften verbinden in het belang van het monument. 6.. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 7.. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel