Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.1.

Randvoorwaarden

Onderdeel van Afwegingskader en voorwaarden transformeren van vakantieparken

Niet toeristisch toekomstperspectief Een recreatiepark dat niet vitaal is en geen duidelijk toeristisch toekomstperspectief heeft en ook niet de mogelijkheid heeft om een toeristisch park meer te worden kan eventueel in aanmerking komen voor een transformatie. De volgende factoren spelen onder andere hierbij een rol: Het park voldoet niet aan de wens van de hedendaagse toeristen: het park heeft geen of weinig recreatieve waarde; het park heeft geen toeristische functie: er ontbreken recreatieve voorzieningen; de grootte van het park en het aantal recreatiewoningen; de constructie van de recreatiewoningen, het ontbreken van gemeenschappelijke voorzieningen, er wordt niet of nauwelijks gerecreëerd: het recreatieve potentieel is beperkt of niet aanwezig: de kwaliteit van het park. Uitgangspunt is dat het park niet de mogelijkheid heeft om middels een ontwikkelplan en investeringen een vitaal toeristisch park te worden. Mocht het park wel een toeristisch perspectief hebben, maar niet vitaal zijn dan wordt op basis van maatwerk het park gevitaliseerd. Locatie en omgeving vakantiepark De locatie en de omgeving van het park zijn onder andere belangrijk om te bepalen of een transformatie mogelijk is. Het transformeren van een recreatiepark is maatwerk, dat houdt in dat als een transformatie kansrijk lijkt er aanvullende voorwaarden betreft de locatie en omgeving opgenomen moeten worden in het transformatieplan. Aan de volgende voorwaarden moet minimaal worden voldaan. De gemeente mag hier gemotiveerd van afwijken. Het gaat om een bestaande locatie; De locatie en de omgeving van het park is bepalend voor het type functie dat mogelijk is op die locatie en de voorwaarden die opgenomen zullen worden in het transformatieplan; Samenhang en nabijheid kern (stedelijk gebied), dus geen solitaire losstaande ontwikkeling; Een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie; Kwaliteit: Het is op de locatie mogelijk om op een goede en veilige manier de nieuwe activiteit plaatst te laten vinden. Kwaliteit: De stedenbouwkundig en landschappelijk karakter, ook van de directe omgeving, moet versterkt worden; Er moet sprake zijn van een kwaliteitsimpuls, de tegenpresentatie moet gelijk zijn aan ruimte voor ruimte; Het karakter van het park moet behouden worden (landelijk wonen), ook het aantal woningen op het terrein mogen niet toenemen; De transformatie mag geen negatieve invloed of gevolgen hebben voor recreatieparken die in de omgeving liggen of er moeten maatregelen getroffen worden om de dit weg te nemen; De provincie Noord-Brabant moet instemmen. Omgevingsdialoog Er is een omgevingsdialoog nodig met omwonenden en belanghebbenden en het plan kan rekenen op draagvlak. Middels de omgevingsdialoog krijgt de initiatiefnemer vroegtijdig inzicht in de belangen, de behoeften en de wensen. De omgevingsdialoog moet voldoen aan de volgende voorwaarden: Omgeving bepalen De omgeving wordt bepaald door iedereen (omgeving/omwonenden) waarop het initiatief effect kan hebben. Alle eigenaren en/of huurders van opstallen in de omgeving zijn deelnemers aan de dialoog. Dialoog organiseren De aanvrager organiseert de dialoog. Hij informeert de omgeving, voordat hij een vergunningsaanvraag doet, over zijn voornemen middels een (globaal) plan en nodigt de omgeving uit voor de dialoog. Tussen het moment van uitnodigen en de dialoog zitten minstens 2 kalenderweken. Dialoog voeren Een dialoog is een open gesprek tussen meerdere partijen. De gemeente geeft nadrukkelijk de voorkeur aan een groepsgesprek. Een één-op-één gesprek behoort echter ook tot de mogelijkheden. Het is aan de aanvrager om hierin een keuze te maken. Aan de inhoud van de dialoog worden de volgende eisen gesteld: De aanvrager legt uit wat de plannen zijn. Zowel de concreet aan te vragen plannen als plannen verder in de toekomst. De aanvrager gaat daarnaast ten minste in op navolgende aspecten: openbare orde en veiligheid; de mate waarin de samenstelling van een wijk/buurt/straat verandert; de mate waarin de zelfredzaamheid, doorstroomsnelheid en de inzet van het sociaal werk/buurtnetwerk verandert. Omgeving/omwonenden wordt de gelegenheid geboden om hierop te reageren. De aanvrager gaat in op de reacties. Dit kan direct tijdens de eerste dialoog of in een later vervolggesprek met de omgeving. De aanvrager geeft aan of hij wel of niet iets met de opmerkingen doet of kan doen. De aanvrager geeft aan waarom hij dit wel of niet doet of kan doen. De omgeving/omwonenden wordt de gelegenheid geboden aan te geven of zij hier wel of niet tevreden mee zijn. Verslag maken De aanvrager is verantwoordelijk voor het maken van een verslag. Daarin staat in ieder geval vermeld: Waar en wanneer de dialoog heeft plaatsgevonden. Het gevolge proces. Wie er uitgenodigd zijn om de dialoog aan te gaan. Wie er aanwezig waren als eigenaar/gebruiker van welk object Wie zich heeft afgemeld. Een samenvatting van wat door de aanvrager en wat door omwonende(n) gezegd is en wat de uiteindelijke uitkomst van het gesprek was. Als er toezeggingen gedaan zijn, worden deze in het verslag vastgelegd. Als het plan naar aanleiding van de dialoog wordt bijgesteld, wordt duidelijk aangegeven wat de wijzigingen zijn ten opzichte van het oorspronkelijke plan. Als de aanvrager ervoor kiest het plan niet bij te stellen, onderbouwt de aanvrager waarom hij daarvoor kiest. Het verslag wordt aan alle genodigden toegezonden. De genodigden kunnen binnen een af te spreken termijn desgewenst reageren op het verslag. De eventuele reactie(s) worden aan de aanvrager toegezonden. Het verslag wordt tezamen met de eventuele reacties van de omgeving/omwonende(n), door de directe omgeving/omwonende(n) en de aanvrager ondertekend. Het verslag wordt bij het aanvragen van een vergunning gevoegd.

Rechtspraak bij dit artikel